De hele dag zie ik hem door het raam vanachter mijn bureau. Hij speelt met de wolken en blauwde de hemel. Dan is daar het moment: ik mag naar huis. Ik dartel en buitel als een veulentje over de binnenplaats en ren in de richting van het station. Ook omdat ik anders mijn trein niet haal. Ik ben laat.

Als ik het perron op hol, nadert mijn trein al. Hij rijdt in volle vaart voorbij naar de voorkant van het perron. Ik ren hem achterna. Hij haalt mij in. Vlak voor de overkapping zit een meisje in de zon. De zon waar ik naar uitgekeken heb. Ze draagt een roze muts. Over de muts zit een koptelefoon. De luidsprekers drukken als oorwarmers op haar oren. De koptelefoon is roze, een tintje lichter dan de muts.

De deuren van de trein gaan open. Ik stap vlug in. Nog even kijk ik om hoe het meisje in het spijkerjack en het roze truitje geniet. Van de zon die op haar blote onderarmen schijnt. Of van de muziek die door de koptelefoon schreeuwt. Door het raam zie ik haar over het perron staren. In de zon die ik de hele dag al zie. Het glas is vies. Lange strepen doen alsof het regent. De trein is weg voor ik kan zien hoe lang ze nog geniet van dit mooie weer.