Zwanen in de gracht of is het gezichtsbedrog?

Ik tuur over de gracht en zie het achterste van de zwaan op het water dobberen. Iets verderop dobbert een witte soortgenoot wat dichter tegen de kade. De enorme hals van de eerste zwaan trekt zich los van de bodem en komt omhoog. De soortgenoot blijft onder water. Het achterlijf beweegt mee op de rimpeling van het water. De kop blijft onder.

Ik kijk nog eens goed en zie het gezichtsbedrog. Zeker, een zwaan dobbert op het water, maar wat verderop dobbert slechts een plastic zak. De lucht in de zak heeft hem opgebold. De witte kleur is fel genoeg om de verwarring te zaaien.

Ik kende een oude vrouw die langzaam blind werd. In plaats van dat ze schold op haar handicap, kon ze onbedaarlijk lachen om de verandering die ze meemaakte. De hele wereld werd anders. Ze tuurde dan in de verte en zei dat het zo’n mooie boom was waar ze naar keek.

Ze vertelde over de takken en de prachtige bloemen die erop groeiden. Ik keek langs haar rug mee. ‘Ik zie helemaal geen boom’, zei ik. Ik schaamde me een beetje voor de onthulling en hield mijn mond. ‘Wat zie jij dan?’ vroeg ze. ‘Ik zie een lantaarnpaal’, mompelde ik. ‘Nee’, zei ze,  ‘dat kan niet.’

We gingen naar buiten, daar betaste ze de lantaarnpaal en keek omhoog. Ze begon onbedaarlijk te lachen. ‘Wat grappig’, zei ze. ‘Ik dacht toch echt een heel mooie boom te zien, maar het is maar een lantaarnpaal.’ We liepen weer terug naar binnen. Haar lachen werkte zo aanstekelijk dat ik zonder schaamte meelachte.

Ik kijk nog even uit het raam en geniet van het gezichtsbedrog. Het is inderdaad heerlijk je eigen ogen af en toe in de maling te laten nemen.