image

Het er naartoe lopen is wel genoeg. Daarom neem ik op de terugweg de sneltram naar Amsterdam Zuid. Op het perron van de tram loopt een meisje onrustig heen en weer tussen 2 abri’s. Ze schreeuwt iets naar het groepje in de andere abri. Als een grijzende mevrouw er iets van zegt, roept ze: ‘dat ouwe mens zegt dat ik mijn mond moet houwe.’ Uit allebei de abri’s klinkt gegrinnik.

De sneltram rijdt binnen. Ik open de deur en zoek het paaltje om mij aan te melden met mijn OV-chipkaart. Nergens in de sneltram zie ik de aanmeldpaal. In gedachten zie ik ineens de paaltjes bij het tramperron dat ik altijd passeer op weg naar het station. Ze moeten op het perron zelf staan.

Ik rij dus zwart. Mijn geweten drijft me de tram uit bij het volgende station. Ik ren naar de paal, check in en hol terug naar de sneltram. Het lichtje van de deurknop vlamt rood op. Hij gaat niet meer open. De tram zet zich in beweging. Te laat. Naast mij staat het ‘oude mens’ dat de meisjes zojuist berispte. Verjaagd uit de tram off ze heeft geen zin tot het centraal station met dat schreeuwende gespuis in een sneltram te moeten zitten.

Pas over 10 minuten rijdt de volgende sneltram binnen. Ik wacht geduldig, een echte tram passeert. Die kan ik ook nemen, maar het in- en uitchecken heeft mij onzeker gemaakt. Hier zitten de poortjes wel in het voertuig en ik heb mij net ingecheckt. Ik heb geen zin mij in de perikelen van een stukje kaart te verdiepen.

Als de sneltram dan uiteindelijk binnenrijdt, stap ik in en vind ik een rustig plekje in de zon. Twee heren aan andere kant van het gangpad zijn druk in gesprek. ‘Ik koop gewoon een kaart van 15 euro als ik daar ben. Dan kan ik internetten, mailen en bellen. Ik doe natuurlijk geen rare dingen, dat begrijp je wel. Geen foto’s downloaden of filmpjes kijken.’

Ze kijken naar buiten terwijl de tram met hoge snelheid en luid klinkende bel het kruispunt oversteekt. ‘Ze hebben binnenkort adsl in mijn huisje in Frankrijk, maar dat weet ik niet of ik dat doe.’ De andere man kijkt stuurs naar buiten. ‘Nee, het moet wel zin hebben.’ De bomen houden de zon op mijn bankje tegen. Het motregent stralen door de bladeren heen.

De tram rijdt de halte voorbij waar ik altijd langsloop. Het zonlicht verlicht de weg die ik altijd loop. Als de tram door de tunnel rijdt, verandert hij in een metro. Hij mindert snelheid, mijn eindstation. Als ik beneden kom, gapen de poortjes open als ik met mijn pasje langs de bult op de paal strijk. ‘U bent uitgecheckt’ ligt het scherm tevreden op.