Ze weten geen raad met het huisraad en zetten het maar aan de straat. De ochtendzon beschijnt dapper de erfenis. De bank waar vader op zat, in het hoekje. Het houten bureau waar hij aan schreef. Er ligt nu een plasje water op van de regenbui die vannacht overtrok. Een paar laatjes staan open. In de onderste lagen de bankafschriften en die daarboven de foto’s van zijn ouders.

Het vloerkleed waar hij alleen met pantoffels overheen liep omdat het anders te hard zou slijten, vult de rest van het bureaublad. Te nat om mee te nemen. Het water neemt bezit van het kleurrijke groen. Als een spons ligt ze volgezogen met het vocht van de nacht.

De kast met de grote knoppen ernaast. Die had hij later gekocht. Toen hij hier kwam wonen. In een dure meubelzaak. Net als het kastje op de bank. De achterzijde leunt nog krampachtig op de rugleuning. Het stond in de hoek voor de schoenen. Onderin vonden ze nog de schoenen van moeder. Het zondagse paar. Dat had hij nooit weg durven doen.

De schoenen liggen in een vuilniszak, ergens gezakt tussen het nachtkastje en de bedbodem. Het beddengoed hebben ze er maar overheen gelegd. Het matras waar hij zo lang voor had gespaard. Te kort dag, morgen moest het huis leeg zijn. De grofvuildienst opgebeld. Ze komen het vandaag halen voor 13.00 uur.