In het zwembad tuur ik over het water. Een koppie steekt net boven het wateroppervlak. Aan de andere kant, buiten, valt het water uit de hemel. Een stortbui trekt over. ‘Zo, als je buiten wilt zwemmen, dan kan dat nu’, grapt de uitbater van het restaurant in het zwembad.

De regen hoor je op het dak kletteren. De kinderen in het water zwemmen rustig verder. Het water kabbelt zachtjes mee op de golven die de zwemslagen veroorzaken. Wat heerlijk dat ik hier niet in zit, denk ik. ‘Wat er nu valt, valt straks niet’, hoor ik iemand zeggen. Vorige week viel net zo’n bui, ietsjes eerder. De dakgoten overstroomden. Misschien hoort het bij vrijdag.

Als ik even later naar huis rijdt, is het droog. Een nat meisje zit achterop. Het ruikt fris en de waterdamp stijgt op van de straat. De bomen druipen nog na. En m’n zadel is nat. Maar ik ben droog.