In de sloot langs de Boelelaan leeft een moedereend met 2 kuikens. Ik zie de dieren nu al enige tijd ronddobberen als ik er naar en van mijn werk voorbijloop. Sinds een tijdje ligt in de sloot een afwateringsponton. Het ding drijft op het water. Het afgevoerde water borrelt er onderuit.

Vaak zit moedereend als een heuse moeder overste op de uitkijk op het ponton. Dan tuurt ze over het water, schudt haar staartje heen en weer en snatert trots over het water van de sloot. De hoge flat aan de andere kant van de Boelelaan echoot de snater even trots terug. Onderwijl scharrelen haar 2 kuikens rond de ponton.

Ze is niet van het platje af te krijgen. Elke dag tref ik haar daar aan. Ze is gek op het ding. Terwijl ik haar zo aan het werk zie, schiet een gedachte binnen. De jonge dieren zitten er zo rustig te eten. Voor voedsel zijn ze niet meer van haar afhankelijk. Hoogstens om de graze weiden te vinden. Maar in deze sloot zit dat wel snor.

Moeder eigenlijk niet veel meer is dan een oppas. Haar aanwezigheid houdt de roofdieren op een afstand, maar van een wezenlijke opvoeding is geen sprake. Ze drijft daar op dat ponton en snatert eens wat. Niet dat die kleine diertjes zich daar iets van aantrekken. Het is eerder een bevestiging. Zij gaan hun eigen weg, dicht bij moeder die niet veel meer is dan een oppas.