image

Ze fietst mij traag voorbij. Hard genoeg om niet te slingeren. Langzaam genoeg om relaxt de trappers te bewegen. Met één hand houdt ze het stuur vast. De andere drukt ze tegen haar boezem. Er zit iets onder in een doek gewikkeld. Ze kijkt naar beneden, geeft een kusje op wat ze met haar hand stevig vastklemt. Het beweegt traag.

De stoplichten bij de busbaan kleuren rood. Een bel rinkelt. Ik sta even stil naast haar en probeer het beest te zien dat ze vasthoudt. Ik zie niks. Het licht staat alweer op groen. Ze rijdt weer weg. De tegemoetkomende fietser ontwijkt ze door behendig op het voetpad te gaan rijden. Als ze voorbij zijn, pakt ze rustig het fietspad terug. Geen schok in haar gang te bespeuren.

Wat verderop stopt ze behendig. Ze laat de fiets schuin neerzakken aan de hand die zojuist het stuur vasthield. Ze stapt af. De fiets houdt ze vast en ze stapt af. Haar hand drukt in dezelfde stand tegen de boezem. In het doek beweegt niks. Haar lange haren vallen een beetje naar voren. Ze trekt de fiets overeind, laat hem tegen haar aanleunen en opent de poort. Dan verdwijnt het raadsel. De poort klapt dicht.