image

Ze stapte van haar fiets en ging op het bankje zitten. Iets wat ze altijd deed op zo’n middag als deze. Ze boog heimelijk naar haar fietstas. Achterin lag haar handtasje. Daar zat het verstopt. Het potje zeepsop.

Ze ging zitten blies de lucht voor zich uit en zag de bellen denkbeeldig uit haar getuite lippen vliegen. Eerst rechtte ze haar bril en tuurde het fietspad af in de richting van het tunneltje. In de verte liep een hardloper haar tegemoet. Hij kwam net het tunneltje uit. Ze schroefde het potje open en zag hoe bovenop het bellensop haar al begroette.

Ze gleed met het puntje van haar tong over de lippen, tuitte de lippen goed en schoof haar benen over elkaar. Het rokje sloot strak om haar bovenbenen. Elke vorm van inkijk was uitgesloten. Zoals haar benen tegen elkaar drukten, zo vatten haar duim, wijsvinger en middelvinger het stokje met de cirkel aan het einde. Daar ging hij in het sop vooronder.

Ze trok behendig het stokje uit de zee van bellen. Een straaltje sop droop naar beneden. Ze hield het stokje net iets voor haar benen. Zo voorover gebogen tuitte ze haar lippen nog meer en blies. Ze blies bellen. De bellen van goud kropen traag uit de ring. Ze blies ze groter. De eerste liet los. De tweede volgde.

Ze keek in de bellen, haar eigen gezicht vervormde. De bril leek groter. Net als haar voorhoofd. Het haar was verder  naar achteren. Terwijl ze het vanmorgen zo zorgvuldig gekamd had. Devoot zat ze erbij. Alsof elke bel een dierbare uitdrukte die er niet meer was. De tijd vloog met de bel. De wind nam haar mee.

De hardloper sjokte voorbij. Vermoeide ogen keken haar aan. Hij kon helemaal niet zo’n eind lopen. Ze keek hem niet aan, tuurde in de richting van het andere fietspad op deze kruising. Daar dreven haar bellen. Ze doopte het stokje in het potje.

De hardloper rende verder en nam haar verhaal mee zoals de bellen van haar dreven op de wind.