Het duurt zo lang voordat je de deur uit bent. Altijd is er iets. Dan knellen de schoenen, zit de onderbroek krang of zitten de knoopjes van de jas net eentje te hoog, zodat ik niet uitkom. Dat komt ook omdat ik in het midden begin met het dichtdoen van de knoopjes. De onderbroek die krang zit, komt volgens haar omdat ik niet oplet bij het uit de was halen van het ondergoed.

Ik ben er ook niet goed in. Heb het nooit gedaan. Zij zorgde voor de kinderen, het eten en de was. Ik stapte elke morgen klokslag kwart over 7 op de fiets. Broodtrommeltje achterop. Geen gedoe. Op mijn weg trof ik slechts 1 stoplicht. Als hij op groen stond, kon ik in een ruk door. Zonder stoppen.

De tegenwind over won ik. Nu loop ik traag achter de wagen. Ze schuurt met haar voeten over het troittoir. Omdat het te hard gaat. Als het haars ziens te langzaam gaat, schuiven haar voeten over de grond om de vaart erin te krijgen.

Nu ik tussen 2 struiken van de hortus in sta, trekt zij ongedurig aan de banden. Ze komt traag in beweging. Natuurlijk rijdt ze in de richting van de weg. Ik zie het niet. De plas spettert op mijn schoenen. Ik zie het en hoop dat zij het straks niet ziet. Ik heb alleen maar gezegd. ‘Ik moet even.’

Een fietser belt. Ze rolt in de richting van de weg. Ik trek mijn gulp dicht. Voel dat mijn onderbroek krang zit en zet hem op een sukkeldrafje naar haar. De rolstoel heeft genoeg gang om weer verder te lopen. ‘Waar bleef je nou?’ zegt ze. Ik geef een zacht kusje op haar grijze haren. Precies zoals toen als ik van het werk thuiskwam. Te laat en zij de deksels op de pannen sloeg om te vertellen wat zij dacht.