Het bankje stond verstopt tussen de bomen, achter het hoge riet en langs het kruimelpad met de houtsnippers. Ze liep er even voorbij in haar pauze om de Ginkgo gedag te zeggen en de Tulpenboom om raad te vragen. Misschien kon ze even op het bankje zitten.

Vanaf het pad zag je pas heel laat of er niemand zat. Zo verscholen tussen de bomen, kreeg het plekje iets intiems. Als er iemand zat, ging je er niet zomaar naast zitten. Ze liep langs de hoge sttruiken. De hoge hortensia’s hingen half over het pad. Ze zette haar voeten zoveel mogelijk voor en achter de bollen.

Ze had hier met hem gezeten. Door de haartjes op zijn blote armen gekroeld en zachtjes gezoend. Dat bankje was hun plekje. Ze staarde door de hoge gewassen. Grote bladeren uit verre landen voorbij. De geur van beits vermengde zich met houtsnippers en fris groen. Ze liep verder over het kronkelpad in de richting van hun bankje.

Daar ging haar telefoon. Ze keek op het scherm. Een vriendin. Zij wist het nog niet. Nog een keer ging de telefoon over. Ze schoof de groene hoorn over het scherm van haar mobieltje. Daarna klonk de enthousiaste stem van haar vriendin.

Ze plofte op het bankje. Haar stem voelde zwaar aan. Elk woord nam een traan mee. Als ze het iemand vertelde, moest ze huilen. Ze was boos op hem en misschien ook wel op zichzelf. De dunne plankjes van het bankje bewogen als zij zich verroerde op het bankje. Het metalen onderstel wiebelde mee op de losse ondergrond.

Haar vriendin troostte haar. Ze voelde de warmte en oprechtheid. Vlakbij haar kraakte het. De houtsnippers bewogen. Een man kwam het hoekje om. Hij keek haar even aan. Ze schrok. De man keek snel weg. Ze zat op hun plekje. Hij verdween tussen de hoge struiken. Op weg om de Ginkgo en Tulpenboom om raad te vragen.