Ineens sta je met je voeten in de bladeren. Het pad ligt bezaaid met de versgevallen bladeren van de populierenbomen die hoog boven je ruisen. De wind door de bladeren klinkt anders. Het ritselt sterker alsof je hand een stuk papier tot een prop drukt.

Je kijkt omhoog en ziet gaten tussen de takken verschijnen. De hemel. De bladeren dwarrelen naar beneden. Ze vallen nog midden tussen het groen dat wat hardnekkiger is dan het blad van de populier. De eik ziet er donkergroen uit. Nog lang niet klaar om het blad te laten vallen.

Andere bomen verschieten al langzaam van kleur. De Esdoorn verschiet al in een mooie gele tint. Net als de Tulpenboom waarvan de eerste bladeren al vergelen om straks een intense kleur te krijgen. De Ginkgo laat het er nog niet bij zitten. De bladeren kijken nog groen naar de hemel.

Terwijl je de jas dichtknoop merk je het: de zomer is voorbij. Tijd voor de herfst. Voor sommige mensen de mooiste tijd van het jaar. Wel de mooie tijd van de wolkenhemel. Prachtige wolken drijven over je heen. En je droomt je op een wolk terwijl je meer en meer te zien krijg van alles wat zich beneden afspeelt. De vermomming van de bomen dwarrelt langzaam op de grond.