Het verlegen ponyveulen lag in de wei. Om hem heen sprongen brutale eksters. De sprong van de zwart-witte vogels leek op de sprong van een astronaut op de maan. Ze gaven zich een zetje met de poten en landden een halve meter verderop zachtjes in het gras.

Soms landden ze op de rug van het veulentje. Dan verdween de puntige snavel in de vacht van het dier. Het veulen lag er. Het leeg zich te schamen voor de brutale eksters. Soms trilde zijn huid van de kriebel. De ekster hielp hem van die vervelende beestjes in zijn vacht af. Maar hij vroeg zich af of deze vogels dit wel mochten doen van hem.

Er vormde zich een zwerm van die zwart-witte vogels rond het veulen. Ze sprongen afwisselend op het dier. De nek was erg favoriet, net als de liezen. Daar wisten de vogels die niet op het dier stonden gretig gebruik van te maken. Ze pikten gretig in de vacht van het dier.

Toen was het ponyveulen over zijn verlegenheid heen. Genoeg, basta. Het jonge dier hees zich overeind. Ze schaamde zich bijna van deze daad. Een ekster die net op de rug stond wankelde en viel naar beneden. Zijn vleugels fladderden op nog voor hij de grond raakte.

De anderen schrokken en alles verdween in de boom naast de wei. Genoeg brutaliteit. Het veulen liep naar zijn ouders wat verderop. Verlost van die ellendige vlooien en zijn verlegenheid overwonnen.