stemlokaal op stationsplein Almere

Hij vouwde het grote papier uit elkaar. Alles gebeurde op de computer en mobiel, maar dit ging met het dikke rode potlood. Toen hij voor het eerst stemde, was er een hypermoderne computer. Daarna drukte hij altijd de knop in en verdween de stem in een apparaat. Sinds tegenstanders van de modernisering ontdekten dat je uit het apparaat een stem bij een naam kon lezen, koos de politiek voor het ouderwetse potlood.

Waarom het argument nooit op tafel kwam dat een potlood veel onveiliger was, wist hij niet. Zo werkte de politiek. Je volgt de massa en zodra een tegengeluid aan kracht wint, volg je dat. Op die manier kies je altijd voor de massa. Op kritiek reageer je nooit direct, maar pas op het moment dat het verstandig is om te reageren.

Hij miste de stemcomputer. Kon niet wennen aan dat potlood. De onmogelijkheid met een stompe punt een rondje in te kleuren. Hij zocht namen. Elke naam leek op de andere. De mannen bovenaan, de vrouwen wat lager. Wie kon zijn gunst verdragen?

In de buurt van de vouw keek hij, de mannen waren oververtegenwoordigd. Geen man, dat nooit, dacht hij. Verder keek hij de rij af. Namen die kansloos waren vanwege hun plek op de lijst of vanwege de onbekendheid met de partij. Namen die de al zouden ze gekozen worden, de komende jaren onbekend zouden blijven.

Als er zoveel te kiezen is, is het ook moeilijk om te kiezen. Zeker als je in een snoepwinkel met honderden vieze snoepjes om je heen. Je moet er eentje nemen. Maar welke? Hij keek nog eens goed, voelde wat zijn hart hem ingaf en kleurde toch het andere vakje in. Ach, dacht hij. Ze smeken om je stem, waarna ze met jouw tegenstem het bed in duiken. Dan krakelen ze zo dat er weer verkiezingen zijn. Nog voor de ochtend gloort.