image
De Telegraaf ligt op haar knokige knieën. Haar lippen zijn opgestift met een dieprode laag. Dikke vlokken make-up bepoederen haar gezicht. Haar voorhoofd, neus en wangen glanzen ervan. Ze draagt gouden oorbellen, heeft haar haren in een snit. De ogen geaccentueerd met een volle potloodstreep. En de wimpers wat donkerder en voller gemaakt.

Ze draagt een kort rokje. Een kort rokje kan mooi staan. Bij haar staat het verschrikkelijk. Ze heeft knokige knieën. Het accent valt zo op haar knieën en niet op haar benen. Misschien komt het omdat ze zit. Het staat niet.

Met opgetrokken en knokige knieën bladert ze in De Telegraaf. Haar neus grist de letters voor haar ogen weg. Haar neusgaten bewegen met de letters mee. De berichten trekken voorbij terwijl ze bladzijdes omslaat. Ze leest ook niet, ze bladert. Kijkt plaatjes en snelt een kop. Ik tuur naar de omgekeerde letters. Geen woord dringt tot mij door. Dat ligt niet aan haar. Dat ligt aan mij en een beetje aan De Telegraaf.

Bij Duivendrecht slaat ze De Telegraaf dicht, vouwt hem dubbel en propt hem in haarhandtasje. Dan gaat ze staan. Wankelend loopt ze weg op de hoge hakken. Ze zoekt vaste grond op de zwevende treinvloer. Een wissel haalt haar even uit balans. Ze leunt tegen een stoel. Hervindt het evenwicht en beent trefzeker weg.

Het rokje heeft een paar lelijke vouwen. Net als het blauwe jasje dat ze draagt. De knokige knieën worden iets minder knokig, maar het rokje staat nog steeds niet. Dan verdwijnt ze door de deur. Alsof zij, haar knokige knieën en De Telegraaf er nooit geweest zijn.