Altijd heb ik het voornemen gehad het werk van Gerrit Komrij (1944-2012) integraal door te nemen. Zijn dood heeft dit voornemen bespoedigd. Nu trakteer ik mij dagelijks op een paar stukjes Komrij. Ik ben begonnen met Daar is het gat van de deur. De eerste bundeling met kritieken en essays van Gerrit Komrij uit 1974.

Het boek laat duidelijk zien dat Komrij nog op zoek is naar de juiste toon en aanpak in zijn
kritieken. De aanpak is sterk wisselend. Het venijn tiert welig en de kritiek slaat naar alle kanten. Kritiek om de kritiek en vooral kritiek van de koude grond. Maar ondanks dat een genot om te lezen. Je kunt al lezend wel begrijpen waarom zijn boekbesprekingen in Vrij Nederland zo razend populair waren.

Je kunt er nu niet meer mee wegkomen, terwijl het destijds zeer vermakelijk op de lezers moet zijn overgekomen, sprekend over ‘het knollen- en bietenproza van Henk van der Meyden’. Of een volstrekt nietszeggend citaat van Dirk Ayelt Kooiman opvoerend zeggen: ‘Dit zijn volstrekt juweeltjes van vertelkunst.’ Hij vervolgt:

‘Overweldigend en grandioos weet Kooiman dus onze aandacht gevangen te houden, ondanks de welhaast volkomen tuttigheid en kleurloosheid van zijn figuren. Zijn ongemeen talent als schrijver is hiermee genoegzaam bewezen.’ (46)

Komrij schuwt niet de groten der aarde aan te vallen. Hermans, Reve en zelfs Claus moeten eraan geloven. Of over Maarten Biesheuvel waarbij hij stelt dat de verhalen wel sterk op elkaar lijken:

‘Veel verhalen uit de ‘beide’ bundels van Biesheuvel kruisen elkaar: in het ene verhaal uit de ene bundel verneem je wat er zoal in het andere verhaal uit de andere bundel vertelt, uiteindelijk, wat het doel van die reis is geweest.’

Het gevaar van dergelijk herhalingen levert een leesmoeheid op die de lezer Komrij duidelijk getroffen heeft bij het recenseren.

Daarmee is Daar is het gat van de deur vooral een kijkje in de vroege literaire kritieken van Komrij geworden. Een stijl die geleidelijk aan kracht wint. Van het vrolijke geknetter van een batterij windjes verandert zijn schrijfstijl steeds meer in de harde paukenslag van de knalscheet. De grap wordt goed voorbereid en met een harde knal afgerond.

Wat vooral verrast, zijn de bijdrages die Komrij achterin het boek heeft opgenomen. Het zijn een bijdrage over een boek rond de laatste eer in Nederland, dat wat hem betreft ‘Een Vademecum van de dood’ mag heten. Of een verslag over de Jugendstil-tentoonstelling in het Rijksmuseum (1972). Om te zwijgen over de prachtige verhandelingen bij de bespreking over een boekje rond Watertorens in Nederland:

‘Watertorens, daar ben ik altijd van geschrokken en daar schrik ik nog steeds van, wanneer ik er een zie. Ik weet er nu, […], weer wat meer van. […]. De watertoren van Zaltbommel komt, sedert ik dit boekje in handen kreeg, elke nacht in mijn dromen voor: ik bedoel maar – al die goedkope onzin over fallus-symboliek – laat maar zitten.’

In Daar is het gat van de deur bewaart Komrij het lekkerste voor het laatste. Het zijn 5 essays bij boeken die hij vertaald heeft van Emmanuel Rhoïdis, Alfred Jarry, Poggio de Florentijn, Rodolphe Töpffer en Oscar Wilde. Essays die Komrij zelf in zijn Vooraf bescheiden schrijft: ‘ Ze getuigen meer van nijverheid dan van briljante vergezichten’.

Met die beschrijving ben ik het totaal oneens. Het zijn stuk voor stuk prachtige essays die onbekende schrijvers en feiten aan de vergetelheid ontrukken. Komrij doet dit met een journalistieke gedrevenheid en oog voor detail die bewonderingswaardig zijn.

Zoals de anekdote rond Jarry die in zijn achtertuin aan het schieten is met een geweer. De buurvrouw komt ontzet binnenstormen en vraagt waar hij mee bezig is. Zijn schieten brengt de spelende kinderen in de naastgelegen tuin in gevaar. ‘Jarry antwoordt, met zijn heel eigen staccato-stem: ‘Mocht zulks ooit gebeuren, ma-da-me, dan maken we toch zeker nieuwe?’ (206).

Een stem, volgens Komrij scherp articulerend, hortend en zonder enige intonatie. Komrij verduidelijkt dit met een citaat van André Gide: ‘Wanneer een notekraker kon praten zou hij het precies zo doen’. Een stijl van praten die ten tijde dat het stuk geschreven werd nog ‘le parler Ubu’ genoemd werd in Parijs. Een manier van praten die sterk met de krakende stem van Komrij zelf overeenkomt. Het verklaart misschien zijn voorliefde voor Jarry.

Het (opnieuw) lezen van dergelijke boeken levert veel plezier en nog meer bewondering voor Komrij op. Zelfs de vroege Komrij herbergt onmiskenbaar de meester in zich die ik later leerde kennen. De meester die met liefde over poëzie schreef, maar de schatjes van de letterkunde even genadeloos met dezelfde pen kon neersabelen. Een schrijver die ik bij elk artikel dat ik van hem lees, meer mis.