image

Het tafeltje ligt vol met de lesmaterialen. Keurige stapeltjes boeken en schriften. De wereld in getallen, een werkboek waarin ze mag schrijven, een geschiedenisboek. De eerste lessen al gedaan. Het keurige handschrift, dat sprekend op de voorbeelden erboven lijkt. We zijn op school. Voorstellen in de klas, de juf een hand geven en horen over dit nieuwe schooljaar.

Ik denk terug aan de avonden thuis. Het eten gegeten. Het is donker. De ramen beslagen. Voor het slapen gaan. De eindeloze schrijfoefeningen. De letters kronkelig, niet dat mollige van de juf, maar hoekig en buiten de lijntjes in uitschieters omhoog en omlaag. Ik oefen mijn vingers stuk. De afdruk van de pen in mijn vingerkussentjes. Hard drukkend op het papier.

De lijnen buigen niet mee, maar blijven halsstarig liggen als strenge politieagenten. Het handschrift eronder als gevangenisbewaker: ‘slordig’. De sleutel draait het slot dicht. Volgende keer beter. Maar het werd alleen maar slechter.

De rekensommen, met het telraam. ‘Hoeveel is dit papa?’ vraagt ze. Ze schuift met de kleuren. Ik noem iets. ‘Juist’, zegt ze. Weer een ander getal schuift ze bij elkaar. Op het bord rekent een kind. Ze schrijft iets tussen de letters. Mooi zo’n digitaal bord. Ze stipt rechts onderin een ander kleurtje in. De cijfers die ze schrijft, veranderen van geel in paars.

In het hoekje van de klas, staat een bankje. ‘Daar mag je op zitten als je klassendienst hebt’, vertelt ze. Ik zeg dat ik jaloers ben. ‘Die heb ik niet op mijn werk hoor.’ ‘We mogen dan een boek van de bibliotheek lezen.’ Ik vind het geweldig. Ze heeft de klok erbij gehaald en laat zien hoe laat het nu is. De wijzers schuiven over de wijzerplaat. ‘Hoe laat is het papa?’

Een tekening van een bloem. ‘Ik heb het gezichtje getekend’. De vlinders fladderen om de bloem. Grote bladeren wijzen omhoog. Ze hebben samen gemaakt. Haar eigen stijl is al te herkennen. Terug naar het tafeltje. Ze laat een geplastificeerde leeswijzer zien. Haar naam heel groot. Een wolkenhemel. Ik zie een vliegtuig in de wolken. Achter het raampje zit iemand. Een wolk drijft weg. In de wolk is een hart getekend met een gezicht erin.

Het zit erop. Ik denk terug aan de klassenavond. M’n ouders spreken de juf. Ik krijg extra schrijfoefeningen mee. De volgende morgen ligt een koetjesreep in het laatje van mijn bureau. Naast het schrijfschriftje dat ik die avond mag meenemen om in het weekend te gaan oefenen.