image

Moeder met kind. Ze zitten in de vroege ochtendtrein naar Schiphol. Het kind snottert. Moeder neemt een hap van de boterham. ‘Ik ook’, jengelt het kind. ‘Wil je een boterham met pindakaas?’ vraagt moeder. ‘Nee, met jam’, antwoordt het meisje. De rode haren steken af tegen het vormeloze shirtje dat ze draagt.

De lengte van de forensentrein is nog afgestemd op de vakantie. Het veel te korte treinstel dwingt de forensen bij elkaar. Geen zitplaats blijft leeg. Een enkeling staat in het gangpad. De knieën tikken tegen elkaar. Mijn tas staat tussen mijn voeten geklemd. Ik probeer te nippen van de verse koffie uit de nieuwe mok. De meneer aan de andere kant van het gangpad kucht als het meisje weer begint te praten. Zij hoest ergens midden in woord. ‘Je moet wel de hand voor de mond doen’, zegt de moeder streng.

Het kind heeft een eigen plaats in de drukken trein. Moeder ontfermt zich over haar. Na het broodje jam geeft moeder een pakje kleurpotloden. Ze wijs naar het gratis krantje dat op het tafeltje bij het raam ligt. ‘Hier, ga daar maar kleuren.’ Dochter hoest naar het papier, trekt een potlood uit het pakje en drukt de stompe punt midden op de foto van een lijsttrekker in debat.

De man aan de andere kant van het gangpad, kijkt geïrriteerd op uit zijn halfslaap. Hij schikt de rugzak op zijn schoot en drukt zijn ogen weer dicht. ‘Papa’, roept het kind. ‘Kijk eens wat ik getekend heb?’ Dwars over het hoofd van de politicus trekt de rode potloodlijn. De man aan de andere kant van het gangpad kijkt op en mompelt wat. De moeder sust haar dochter. Ik hoor niet wat ze zegt.

‘Ik wil spray’, zegt ze. Ze haalt haar neus op. ‘Nee, dat kan niet’, antwoordt moeder streng. ‘Je mag niet de hele tijd neusspray.’ ‘Ik wil’, jengelt het kind. Ze ademt zwaar door de mond. Uit haar neus vormt zich een grote snottebel. De bel trekt een lijn naar haar mondhoek. Moeder wrijft met een papieren zakdoekje over het gezicht. Het kind wendt haar hoofd af. Aan mijn neus geen polonaise. Het zakdoekje is al eerder die ochtend gebruikt. Het papier neemt niet veel vocht meer op. Dochter jengelt over de spray. ‘Je mag vanmiddag weer’, zegt moeder. Het kind begint te schreeuwen. De man aan de andere kant van het gangpad kijkt geërgerd op.

Moeder rommelt wat in haar tas. ‘Dan doen we nu nep.’ Ze zet het flesje spray aan de neus van het kind en doet net of ze spuit. ‘Lekker he? Net echt.’ ‘Nee’, gilt het kind. ‘Ze is echt verkouden’, zegt de vrouw. Ze geeft het vieze zakdoekje aan de man aan de andere kant van het gangpad. De man aan de andere kant van het gangpad kucht en haalt zijn neus op. ‘Zou het straks in Italië over zijn?’ Hij buigt in de richting van de vuilnisbak en propt het propje erin. Hij zwijgt, sluit zijn ogen en slaapt weer.