image

Er klinkt een knal en nog eentje. De honden in de buurt slaan aan. Nog een knal. Na de knal klinkt het zilveren geritsel van vuurwerk. Er ploffen nog veel meer kruidjes daar hoog in de lucht. Ik tuur uit het raam.

De duisternis grijpt om zich heen. Het donkert steeds eerder in deze tijd. De zon keert terug naar het punt waar hij bij het begin van de lente stond: de evenaar. Na de opmars van weleer is er de aftocht. Alleen de vuurpijlen geven flinterdunne sterretjes af in het donker.

Ik zie de aanstichter van dit alles weglopen. De pijl is leeg. Hij gooit het zand uit de fles waarin de pijl stond en zet hem naast de voordeur. ‘Gefeliciteerd buurman’, wil ik roepen. Maar het moment is te kostbaar om te onderbreken. Ik weet ook niet of hij of zijn vrouw 65 is geworden. Ik denk de laatste. Hij is al een aantal jaar thuis en bij hem kwam een paar jaar terug de fanfare langs.

De hele buurt hangt vol met ballonnetjes waar ’65’ op geschreven is. Langs zijn schutting trekt een band waarop verbodsborden staan afgebeeld met hetzelfde getal. De poort in zijn schutting bevat een dikke pijl. ‘Hier 65’ staat erop. Er klonk vanmiddag feestmuziek. Maar de pijl wordt afgevuurd in stilte. Als afsluiting. Bewaard van Oud en nieuw.

Als ik ‘s morgens door de buurt loop, zijn de ballonnetjes van gisteren verschrompeld. De cijfers zijn meegekrompen. Soms lijkt het of er ’59’ staat. De ballon op zijn kop. Leeggelopen adem van gisteren. Bij de einde lijken de ballonnen op bejaarde pruilmondjes. De huid om de lippen is gerimpeld van de ouderdom. De feestneuzen zijn oud geworden binnen een nacht. Het feest is voorbij.