zoek de bonuskaart

We liepen met de honden een rondje. Bij de gracht blafte een hond. We kwamen dichterbij zodat we wat beter konden zien wat er aan de hand was. De herdershond rende van de brug naar de waterkant en sprong het water in. Hij zwom naar het meisje dat midden in de gracht stond. Het was het buurmeisje.

De hond is niet uit het vriendelijkste hout gesneden. Het meisje van wie de hond was, keek benauwd toen ik met de honden kwam aanlopen. Daarom liep ik maar een blokje om. Ze bedankte me vanaf de brug waar ze stond.

Het buurmeisje stond stokstijf in het koude water. Midden in de gracht. Het water kwam tot aan haar oksels. De hond bleef blaffen. Ik vroeg me af wat ze daar deed. Er stond genoeg publiek omheen om niet in actie te komen. Ik wist ook dat mensen juist verdronken onder toeziend oog van een menigte. Niemand voelde zich verantwoordelijk iets te doen.

Ik liep om de brug heen en zag het tafereel vanaf de overkant. Het buurmeisje zag mag van onder de brug. ‘Hoi buurman.’ Ze zwaaide. Ik zwaaide terug. Doris stond inmiddels bij de groep kinderen. De fietsen van de voorbijgangers waren gestald tegen de brug en de omliggende bosjes.

Doris vond het wel interessant om het buurmeisje zo in het water te zien staan. Ze hing naast de anderen over het bruggetje. De herdershond holde zenuwachtig van de brug naar de waterkant en terug. Als hij op de brug stond, blafte hij naar het meisje. Vanaf de waterkant ook. Hij sprong niet meer in het water.

De hond bleef zenuwachtig blaffen. Ik hoorde het geblaf achter de huizenblokken vandaan komen bij het naar huis brengen van de honden. Het leek mij verstandig bij thuiskomst eerst maar eens een kijkje te nemen op de brug.

De herder rende nog steeds. Stond op de brug naar beneden te blaffen, liep zenuwachtig naar de waterkant en blafte weer. ‘Wat doet ze daar in het water?’ vroeg ik. ‘Ze is haar sleutels kwijt en die zijn heel belangrijk. Er zit een bonuskaart aan.’

‘Het is koud’, klaagde het buurmeisje. ‘Je moet dieper’, riep het meisje van de herdershond. ‘Maar het is koud. Het komt tot mijn borsten.’ Ze keek mij indringend aan. Het meisje van de herder gooide haar een stokje toe. Ze roerde in het water met het houtje. ‘Daar moet hij liggen.’

Het buurmeisje zette een stap. ‘Mijn schoenen zitten vast.’ Ze maakte bewegingen met haar benen. Het water vormde golfjes aan het oppervlak. Een eendje zwom voorbij net buiten bereik van het buurmeisje. ‘Dag buurman’, zei ze weer. Ik had genoeg gezien. Die vindt die sleutel nooit, dacht ik en ik liep terug naar huis. De herdershond blafte nog lang.