De trein rijdt. Hoog gilt een fluittoon in de stille coupé. Het maakt genoeg lawaai om de 2 douanebeambten niet meer te horen. Schuin tegenover mij zit een oudere vrouw. Haar ogen dwalen van buiten naar mij en terug. Ze houdt haar handen over elkaar gevouwen voor haar buik.

Als de conducteur het station aankondigt, schalt het geluid boven de fluittoon uit. Ze kijkt geërgerd in de richting van de geluidbox boven het raam. Het doet zeer aan de oren. We missen de informatie niet. Zelfs de meest slechthorende zou dit lawaai opmerken.

Haar handen liggen samengevouwen en rusten op haar buik. Ze tuurt uit het raampje, trekt haar lichtroze jasje recht. Haar haren vallen zilver langs haar wangen. Haar hals ziet er rimpelig uit. Ze smakt met haar mond. Haar ogen vertellen dat de bestemming niet snel genoeg kan komen.

Een andere stem klinkt door de geluidsbox om mijn bestemming aan de kondigen. De stem is rustig genoeg om het geluidssysteem niet te overschreeuwen. De vrouw staart vermoeid uit het raam. De nieuwe stad glijdt haar ogen voorbij. De gebouwen vertragen, het perron komt in zicht. Ik sta op. Ze kijkt met jaloers in mijn rug.