We lopen het futuristische gebouw van de kinderboerderij uit. Via de konijnen naar de kippen. Ze tuurt door het raampje van het nachtverblijf. ‘Kijk, daar ligt een ei’, zegt ze. ‘Ik ga het vertellen aan de boerin.’ Ik vind het prima.

Ze is alweer verdwenen, de blokkendoos in op zoek naar de beheerder. De varkens wroeten in het hooi. Ze duwen de strootjes omhoog. De neuzen schuren over de betonnen ondergrond. Genoegzaam bootsen de kleine varkens het gedrag van moeder na.

De boerin is gevonden. ‘De kippen hebben een eitje gelegd’, vertelt ze. ‘O’, antwoordt de medewerkster. ‘Dan moeten we het maar even ophalen.’ We lopen weer naar buiten naar het hok van de kippen. De sleutel in het slot, de deur open. ‘Pak het maar.’ Ze klimt over de stok. Restjes poep liggen op het hout.

De legkastjes staan achter de stok. Het ei ligt er imposant en opvallend tegen het houten schotje. Ze pakt het grote ei. Het past nauwelijks in haar hand. ‘Ach, doet u maar een doosje eieren’, zeg ik en geef haar het benodigde geld. ‘Ik ga het even halen’, zegt de beheerder. ‘Dan komt jouw ei erbij’, zegt ze. Doris kijkt trots naar het enorme ei in haar hand. ‘Dan gaan we dit ei koken en mag ik het eten.’