De meeuwen krijsen over het water. Een vrouw laat haar hond uit. Het beest holt meters voor haar uit de branding in. Een oude vrouw loopt haar tegemoet. Het dier vliegt blaffend op haar af en laat pootafdrukken in haar donkere jurk achter. De eigenaresse van de hond roept het dier.

De hond heeft lak aan de lokroep. Andere dingen lokken hem veel meer. Een jongen met een vlieger. Of een andere hond die angstig wegrent. Mij kan niks gebeuren. Zijn bazinnetje schalt zijn naam over het strand. Hij loopt weg. Weer de gil. Hij duikt op een andere hond die hem grommend begroet. Uitdagend rent het dier de branding in.

Aan de boulevard staat een oudere man. Hij kijkt naar de vrouw met de hond, schudt geergerd zijn hoofd. Achter hem begint een auto te gillen. Tandwiel schuurt op tandwiel. De man schrikt. Het petje op zijn hoofd schiet een eindje omhoog. Hij draait zich om en loopt gejaagd naar de auto.

Met een ruk trekt hij het portier open. ‘Je moet de koppeling laten opkomen als je hem in de versnelling zet’, schreeuwt de man. De vrouw achter het stuur kijkt hem hulpeloos aan. ‘Eerst de koppeling indrukken.’ De man buigt naar voren en wijst naar de voeten van de vrouw. Hij maakt een schakelbeweging met zijn hand. ‘Dan de versnelling, dan koppeling laten opkomen.’

Hij smijt het portier dicht. De auto gilt opnieuw. ‘Je snapt het gewoon niet’, schreeuwt de man moedeloos. De vrouw gebaart met haar armen omhoog. De auto maakt nu helemaal geen geluid meer. De man loopt geirriteerd weg. Dan wordt hij tegengehouden. Voor hem staat een hond te blaffen. Hij roept iets naar de vrouw beneden op het strand.

Dan ineens begint de motor van de auto te draaien. De vrouw schakelt, laat de koppeling opkomen en rijdt weg. Haar man staat voor paf. Hij kijkt de auto na terwijl de hond tegen hem blaft. Achter hen gilt het bazinnetje moedeloos. Wie weet luistert haar hond ook een keer.