image

De speeltuin in de herfst. Het najaarszonnetje schijnt op het bankje waar ik een plekje verworven heb. Naast een vader. De jassen en tassen staan om hem heen uitgestald. De kinderen gillen verderop in het grote speelltoestel. Het woord Turk staat nog altijd breed uitgeschreven op de onderkant van de glijbaan.

Een moeder staat met een filmapparaat bij een speelhuisje. Haar zoontje bakt zandtaartjes. ‘Meneer, wat kost een taartje?’ vraagt het meisje dat buiten het huisje staat. Het kind bukt om nieuw zand te rapen. Hij kwakt het op de toonbank en vormt met zijn handen een nieuw taartje.

Pal achter moeder staat opa. Hij fotografeert zijn kleinkind. Een hele filmploeg is deze zondagochtend uitgerukt om de verrichtingen van de dreumes vast te leggen. De vader naast mij op het bankje, houdt zijn telefoon omhoog. Ik hoor een klik.

Een kind rent naar ons toe. Aan zijn arm bengelt het laatste stukje jas. Hij hijgt, gooit de jas het bankje en rent weer weg. De jas valt midden in de modderpoel. Zwijgend trekt vader de rode regenjas omhoog.

Mijn potlood trekt fijngeslepen kruisjes en streepjes langs de gedichten. Ik kijk af en toe op naar de spelende kinderen. De vader naast mij heeft er tabak van, pakt de stapel jassen en tassen en loopt weg naar het grote speeltoestel. Kinderen gillen om hem heen. Ze klimmen omhoog via de groene, rode en gele knoppen van de klimwand.

Een moeder heeft het vrije plekje naast mij ontdekt. Als een meeuw op een broodkorst stort ze zich op de het lege stukje bank. Ze zucht, haalt haar handen door het haar en doet een zonnebril op. De bril beschermt niet alleen tegen het zonlicht, maar ook tegen het gegil van haar dochter. Het meisje met de lange blonden haren rent naar het klimtoestel en hijst het lange puberlijf zo de hoogte in.

Daarna begint het meisje op de metalen tunnelbuis van de glijbaan te kloppen. Metaal op metaal klinkt schel over het speelterrein. Waarmee ze op de glijbaan slaat, weet ik niet. Dat het herrie maakt wel. ‘Hoor je het’, gilt ze uit de tunnelbuis. Haar broertje holt over het terrein. ‘Nog verder’, roept ze. Het jochie staat aan de andere kant van de speeltuin en zijn zus slaat nog harder op het metaal.

Ik zie de geërgerde blik door de zonnebril heen. Ze staat op en loopt moedig naar het klimtoestel. ‘Hou daarmee op’, roept ze nog harder dan haar dochter zojuist gilde. ‘Ach wijf, bemoei je met je eigen zaken’, brult de puber terug. Moeder druipt af en draait zich halverwege toch nog even om. ‘Als je maar stopt.’

Ze trommelt weer verder. Een moeder tilt haar peuter in het toestel. ‘Hé, houd daar eens mee op’, brult ze omhoog. Het slaan stopt abrupt en het meisje glijdt naar beneden. Ik sla weer een bladzijde om van de stapel vellen met gedichten. Geen beter moment van selectie dan in de zon op een bankje. Moeder pakt haar boeltje op en loopt naar de schommels waar dochter en zoon slingeren. ‘We gaan’, gilt ze en ze loopt weg zonder een antwoord af te wachten.