Ik loop door het bos waar ik 2 maanden geleden fietste. Naast elkaar, de laatste etappe op weg naar huis. De zon schijnt nu op een laag pitje. Wij reden in de zomerhitte. De zon brandde op mijn armen. Bij het bankje in het open veld stopten we om ons extra in te smeren tegen de felle zon.

Nu piepen de stralen bedeesd door de bomen. De bladerrijke kruinen van toen zijn nu kalend. De groene bladeren zijn veranderd in tinten geel, rood en bruin. Het licht valt alsof het even nagedacht heeft. De lichtstralen kun je bijna afzonderlijk waarnemen als je goed kijkt.

Ik haal een fietsend gezin in. Vader rijdt voorop. De zoon hangt vast aan de bagagedrager met een touw. Hij laat zich op zijn skeelers voorttrekken. Moeder rijdt erachter. Haar opgevallen jas wappert mee op de wind als de manen van een paard.

Ik ren er voorbij. Kom langs het bankje waar we 2 maanden terug stopten om ons nog even in te smeren tegen de warme zon. Nek, schouders en armen kregen een extra laag olie. De zoon maakt zich los van het touw. Met grote slagen hoor ik hem over het asfalt roetsjen.

De bochten door denk ik aan de rekensommen die ik haar gaf. Optellen boven de 20. En daarna aftrekken. Nu rekent ze in tafels. Hoeveel je leert in een paar maanden tijd. Ik ga de bocht om. Vader en moeder maken weer tempo. Moeder voorop, vader erachter. De zoon heeft zijn touw weer gepakt. Ze rijden mij voorbij.

Het bruggetje, het kasteel. Bijna thuis dacht ik toen. Trots dat we zo’n goed team vormden. Opgelucht dat het allemaal zo goed ging. Nu geniet ik van de zonnestralen. De kracht is verminderd. Een klein stukje van die zomer glimlacht naar mij. Achter de familie aan naar het Weerwater, naar huis.