image

Open deur

De deur staat altijd open, las hij. Dat is een open deur, dacht hij. De deur stond hoogstens op een kier. Dat deed de deur toe. Geen houden meer aan, want voor hem ging geen deur meer open. Daar was het gat van de deur. Hij voelde zich een deur. Niemand vindt het leuk het deurtje te krijgen.

Misschien was het ook zijn fout. Hij klopte niet aan de deur waar hij in wilde. Meestal bleef hij dralen. Elke andere kerel kreeg een voet tussen de deur. Voor hem viel de deur altijd voor zijn neus dicht. Hij vroeg vrienden om raad maar dat was aan een dovemans deur geklopt.

Zo stond hij voor een gesloten deur een dag later. Er staan nog genoeg deuren voor mij open, dacht hij. Hij hoopte op een zilveren hamer om ijzeren deuren te verbreken. Hij kon immers best een deurtje opengooien. Maar het ging zijn deur voorbij.