In de nieuwe dichtbundel De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag van Jean Pierre Rawie heeft hij een cyclus over Venetie opgenomen. De 5 gedichten kregen de titel ‘Naherfst in Venetie’. Ze behandelen de vertrouwde thema’s van dood en verval. Het zeewater overstroomt de stad, de toerist loopt wiebelend over de vlonders en uiteraard het dodeneiland San Michele.

Piazetta San Marco met uitzicht op de twee zuilen

Dat kan ik beter, dacht ik en ik schreef zelf een cyclus gedichten over Venetie. Voor een bundel in de toekomst. Of voor de liefhebber. Uit mijn herinnering schreef ik de gedichten. In het achterhoofd zat mijn eigen bezoek aan Venetie in januari 2001. Ik liep door de stad als een toerist, maar voelde mij een dichter. Alle beelden sloeg ik op in mijn hoofd. Geen fototoestel mee, alleen maar de ogen en pen en papier.

Gondel bij Frari-kerk in Venetie

Ik zocht de beelden weer op, die ik anderhalf jaar eerder maakte bij mijn eerste bezoek aan Venetie. Veel gebouwen en smalle steegjes. Vervuld van Thomas Manns Der Tod in Venedig en de film die Visconti van de novelle maakte. Ik zocht de steegjes en pleintjes op. Speurde naar de ervaring van het verhaal. Het lukte aardig. Al scheen de zon veel te fel en warm voor verval.

Koepels van San Marco basiliek in Venetie

De beroemdst en veruit beste gedichtencyclus over Venetie schreef Gerrit Komrij. In zijn biografie schrijft Onno Blom dat Gerrit Komrij helemaal verrukt terugkeerde uit Venetie. Hij bezocht de stad in 1973 met Charles. Het leverde een prachtige cyclus gedichten op: De stenen van Venetie. De cyclus is opgenomen in de bundel Fabeldieren uit 1975.

San Giorgio Maggiore, gezien vanaf de kade bij de Piazzetta San Marco

Komrij vermengt 2 elementen van de Italiaanse stad met elkaar in deze gedichten. Dat zijn carnaval met verval. Het brengt mooie associaties met zich mee. De stad als niet in te nemen vesting, een labyrint dat elke steeg weer een nieuwe beerput laat uitkomen. En het spel met de poezie zelf, zoals de regel

(Stil toch, bedaar: het is maar poezie,
Het is maar dichterlijk.)

Een regel die het gedicht verandert in een maskerade waarachter het lyrisch ik zich verschuilt. Over de stad die ‘boven spot verheven’ is, ‘Maar zelf een rarekiek en toverzaal.’ Dichtregels die niet te overtreffen zijn. Zeker niet door mij en helemaal niet door Jean Pierre Rawie.