image

Citaat uit Jan Mulders essay Doodstil, uitgekomen ter gelegenheid van de maand van de spiritualiteit

‘De stilte in de kamer is ook zonder geluid in orde wanneer het de redactie van een krant betreft’, schrijft Jan Mulder in het boekje Doodstil. Het boekje schreef hij speciaal voor de maand van de spiritualiteit vorige maand. Na deze opmerking citeert de oud-Volkskrant-columnist uit een interview met Heldring (94 jaar).

‘Ik ben altijd vroeg opgestaan, om een uur of zes. Er is een tijd geweest dat ik om vijf uur wakker werd, dan stond ik maar op. Ging ik douchen, ontbijten en stapte ik op de fiets naar de Haagse redactie van de NRC. Zat ik daar in mijn eentje, dat was prettig, het was stil en ik stoorde niemand.’ (19)

In de tijd dat ik solliciteerde bij de Twentsche Courant Tubantia 10 jaar geleden, bestierde Jan van Nus de hoofdredactie. Van Nus begon nog altijd op het tijdstip waarop de krant ‘s middags werd gedrukt. De krant was al enige tijd een ochtendkrant, maar hij liep in de vroege morgen rond half 6 ter redactie en maakte zijn vaste ronde. Zo liep hij vanuit de postkamer met de post en bezorgde deze op alle lege bureaus.

Van Nus moet de stilte gekend hebben waar Heldring over spreekt in het interview. Al die lege bureaus en geen enkele telefoon die gaat. Geen stem, alleen maar de voetstappen van Van Nus. Ik kan ook zo genieten van een leeg kantoor. Het liefste op een zomerochtend. Als buiten alle vogels fluiten. Het verkeer nog niet op gang. De totale rust, omdat de mens nog niet actief is.

Het was op zo’n morgen begin december dat Van Nus mij tegen 8 uur belde. ‘Ik heb slecht nieuws en goed nieuws’, zei hij. Ik was na de recruitmentdag in Amersfoort op gesprek geweest in Enschede. Daar waren ze erg onder de indruk geweest over mijn verhaal dat je schrijft voor je lezers.

Ik hield een lang betoog over de lezer en de verwachtingen die de lezer koestert. Allemaal rechtstreeks uit mijn studie van ALW. De lezer die betekenis geeft aan de tekst. Daarom moet een journalist zich bewust zijn van de lezer. Hij schrijft de krant voor de lezer.

Het verdrietige nieuws was dat ik niet op 1 februari kon beginnen als WEP’per. ‘Het goede nieuws is dat we alledrie de kandidaten een plek willen geven. In oktober komen nog 2 werkervaringsplekken vrij. We willen je dan heel graag hebben.’ Ik was diep onder de indruk van het aanbod. ‘Ik bel je in het voorjaar nog een keer en vraag of je nog belangstelling hebt. Zolang blijft die plek voor jou.’

In juli belde hij nog een keer. Eveneens iets voor 8 uur. Het was voor mij onzeker of ik bij mijn werkgever mocht blijven. Daarom zei ik dat ik er nog even over moest nadenken. Ik vroeg hoe laat ik hem het beste kon bellen. ‘Doe maar op dit tijdstip’, antwoordde hij. ‘Maar eerder mag ook. Ik ben hier altijd om half 6.’

Later – ik werkte een paar maanden bij Tubantia – vertrok Jan van Nus. Hij had een paar jaar als hoofdredacteur gewerkt omdat niemand anders wilde. Ik vertelde mijn chef Jan Bengevoort over het vroege tijdstip waarop Van Nus altijd belde. Hij lachte. ‘8 uur. Dat is nog laat. Hij belde eerst iedereen al om half 7. Dan was hij verbaasd dat hij iedereen wakker maakte.’