image

In Logboek 1991-1992 schrijft Harry Mulisch geregeld over zijn dromen. Op woensdag 5 juni 1991 schrijft hij op zijn computer:

‘Vannacht – eigenlijk vanochtend – gedroomd dat Julius (de teckel) naar mij toe kwam. In de twee zachte holtes van zijn keel en de aanzet van zijn voorpoten zaten plotseling twee extra ogen, lichtgrijze, die mij aankeken. Hij bracht zijn snuit naar mijn oor en zei zacht: ‘Harry…’ Met een fysieke schok van verbijstering werd ik wakker.’

Ik droom nooit over mijn teckels. Net als dat ik nooit over Harry Mulisch droom. Ik droom weer andere dingen. Dat ik heel mooi orgel bespeel (Zutphen) en een masterclass krijg van een beroemde organist. Of dat ik met een groep van 15 mensen ben en steeds iedereen moet tellen. Het zijn er 15 maar ik tel er steeds 17 of 18.

Overdag ben ik druk genoeg met de teckels. Het verzorgen van de maaltijd en het uitlaten vraagt genoeg aandacht. In de nacht laten ze mij met rust. Ik moet er niet aan denken ineens door ze te worden aangesproken in mijn dromen.

De schrijver ontdekt verderop in Logboek ook dat het verzorgen van de teckels best veel tijd kost. Op 17 juli 1991 schrijft hij:

‘Lastig leven zonder S. De hond eist even veel aandacht als een kind. K. helpt. Weinig geschreven, veel nagedacht.’

Het verklaart voor mij waarom De ontdekking van de hemel geschreven is en ik niet aan schrijven toekom. Mulisch hoeft niet steeds met de hond eruit en kan onafgebroken werken. Als zijn vrouw een dagje van huis is, dan breekt de paniek los. Ook al krijgt hij hulp van zijn vriendin K. Een teckel houdt je van het werk af.