image

‘Wilt u een stukje proeven meneer’, vraagt hij als ik een pondje jong belegen bestel. ‘Nee, dank je’, antwoord ik. Een reep kaas op de vroege ochtend is niet aan mij besteed. Daar hou ik niet van. Naast mij komt een man staan. Het meisje pakt al een stuk kaas. ‘Jong belegen geitenkaas?’ Hij knikt.

‘Is Johan er niet?’ ‘Nee’, antwoordt ze. ‘Die is vandaag op IJburg. Misschien komt hij vanmiddag nog. Maar we zullen het wel redden hoor, zonder hem.’ Ze snijdt trefzeker een stuk van de grijswitte kaas en legt het op de weegschaal. Precies goed. Ze trekt een genoegzaam haar mond op. ‘Nog iets?’

De man is klaar. ‘Jammer dat hij er niet is’, zegt hij. ‘Ik ben er zelf volgende week niet. Dan moet ik wielrennen. Een wedstrijd in Belgie door de Ardennen.’ ‘Ik heb vroeger ook gefietst’, zegt het meisje. Ze kijkt dromerig over het marktplein terwijl ze de jong belegen geitenkaas weer met een stukje folie afdekt. ‘Ga lekker mee’, klinkt zijn stem uitdagend over de markt. ‘Ik weet het niet hoor’, zegt ze. ‘Ik heb al heel lang niet meer getraind. Ik ben geen 19 meer en om dat nu ongetraind te gaan doen.’

De rest hoor ik niet. Daarvoor loop ik al te ver weg van de kaasboer. De kaas ligt onderop in mijn tas, de vier spaarmuntjes zitten in mijn kontzak. Nu de groentenman nog en ik ben klaar.