image

Ze fietst van de stad naar huis. Alle tinten blauw omringen haar. Ze fietst op een blauwe fiets, met een blauw jack aan. Achteraan dobbert een blauwe fietskar, blauwe fietstassen, een blauw kinderzitje achterop en een blauw mandje voorop. Alles blauw, zo blauw.

Ze trapt tegen de harde tegenwind in. Ik kan niet zien of het karretje gevuld is, want ik vermoed dat er binnenin ook iets blauws schuilt. Ze fietst zich een blauwtje, maar thuis wacht een blauwe wereld. Dat weet ik zeker.