image

Hij trok de voordeur open. De schoen knelde onder de onderkant van de deur. Hij drukte verder en piepte door de smalle opening naar buiten. Over de tegels om direct aan de voorkant van het huis af te slaan naar de zijtuin. Hij ging even de moestuin in. Dat deed hij elke dag om te zien hoe de groenten het deden.

De bietjes waren verschrompeld. Mogelijk werden ze dwarsgezeten door de witte vliegjes die omhoog kwamen als je met je vingers over het bietenblad ging. Hij vreesde dat de wortels al ten prooi vielen aan het ongedierte. De oogst zou kunnen tegenvallen. Vielen niet de ballen van de kinderen uit de buurt in het tuintje, dan joeg het ongedierte de groenten de stuipen op het lijf.

In zijn hand hield hij een kop koffie. Na de inspectie leunde hij tegen de hek die de moestuin van het voetpad scheidde. Een rij rechtopstaande tegels hield de grond binnenboord. Daarachter stond het hek dat hij anderhalve maand terug voltooide. Hij voelde nog zijn knieën omdat hij gehurkt alles gedaan had. Het joeg zijn knieën op slot. Hij nam een slok koffie en keek naar de moestuin.

Hij draaide zich om en keek in de richting van de brug. Daar stond de auto van de buurman midden op het fietspad. Achter op een aanhanger stond zijn boot. Hij herkende de twee ruitjes aan de voorzijde. Waar het afdekzeil was, kon hij van hieraf niet zien. Misschien lag het in de boot. Anders in de auto. De buurman hees zichzelf in de boot. Net op dat moment ging de deur aan de kant van de bijrijdersstoel open. Daar stapte het buurmeisje uit. Ze was doorweekt.

Water plonste op het fietspad. De buurman dook weer in de boot. Hij was aan het hozen. Weer kletste een plons water op het asfalt. De buurman verdween weer in de boot. Het vriendje van het buurmeisje kwam eraan gefietst. Hij omhelsde haar en begeleidde zijn vriendinnetje naar binnen. Een waterspoor droop achter het tweetal aan. Weer een plons water.

Hij vroeg zich af waarom de buurman het water niet in de gracht gooide. Hij stond immers op de aanhanger op de brug. Zo hoefde het fietspad niet nat te worden. Hij tuurde tussen de autobanden door en zag hoe het waterspoor verder liep. Blijkbaar was de boot nog natter en droop het nog na van de boottocht. Hij meende in elk geval te zien dat naast de plonsen water van de hozende buurman ook water stroomde uit de boot.

Hij keek nog even naar de aarde. Op het vierkant van de komkommer zag hij een klein groen puntje uit de donkere aarde steken. Zou de komkommerplant dan toch opkomen? Hij dronk de laatste slok koffie en boog zich over het kleine vierkant. Inderdaad het waren twee kleine blaadjes die daar uit de aarde ontsproten.

Hij kwam weer overeind en liep langs het uitbouwsel van zijn huis terug naar de voordeur. Hij zag hoe de buurman met de buitenboordmotor vasthield. Zijn armen waren geklemd rond de enorme motor en hij stapte traag vooruit. Zijn gezicht was knalrood van de inspanning. Het water stroomde in een dikke straal uit de motor. De buurman verdween in opening van de poort. Hij keek nog een keer om en zag hoe de dochter de poort sloot.

Pas ‘s avonds bij het uitlaten van de honden zag hij de boot weer in het water liggen. Er hing een andere buitenboordmotor aan. De buurman was druk bezig het zeil af te sluiten. Hij drukte de rij drukknoopjes stuk voor stuk in. Hij keek voorzichtig de boot in door de smalle raampjes. Er was geen spoor meer van het water.

Dit verhaal is het vervolg op Vaartochtje in voorjaarsochtend