image

Ik ben opgevoed tot een deugdzaam en gehoorzaam mens. De tien geboden vertelden het mij elke zondag: eert uw vader en uw moeder, niet stelen, niet liegen, niet echtbreken en vooral niet jaloers zijn op een ander. ‘Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is.’ Elke gedachte eraan, was genoeg om in overtreding te zijn.

De gehoorzaamheid trok natuurlijk door naar de klas, het schoolplein en de straat. Door rood licht fietste je niet. Net als dat je in een rij keurig op je beurt wacht, met twee woorden spreekt en elke zondag – zonder mokken – twee keer naar de kerk gaat. Regels horen bij het leven en die heb je te gehoorzamen. Overtreding van die regels werd afgestraft.

Zo heb ik moeten boeten voor een ingekort rondje bij een sponsorloop. Het zal niet meer dan een meter of 100 zijn geweest. De tien eerdere rondjes had ik zoveel medeleerlingen zien het rondje zo zien bekorten. Terwijl ik keurig de volle ommegang holde. Alleen het laatste rondje zou ik nog net kunnen halen als ik het zo bekortte, maar een klasgenoot zag mij en riep het luid en duidelijk naar de organisatie.

Ik moest de afstand die ik gesmokkeld had heen en weer lopen als represaille. Het laatste rondje haalde ik allang niet meer Na afloop vertelde de jongen iedereen dat ik een valsspeler was. De teleurstelling droop van de mensen die het hoorden. ‘En ik dacht dat je zo’n eerlijke jongen was.’ Dat de jongen zelf de eerdere rondjes ook gesmokkeld had, leek er niet toe te doen.

Of de eerste en daarna heel lang laatste keer dat ik door rood reed. Ik was een jaar of 12. We hadden net heel veel Playmobil tweedehands gekocht en ik zou eerder naar huis rijden om het thuis te brengen. Vlakbij het politiebureau was een stoplicht dat voor fietsers volkomen nutteloos was. Het stond aan de weg voor rechtdoorgaand verkeer en voor fietsers was er geen enkel gevaar om altijd door te rijden op dat punt.

Dikwijls had ik daar volkomen nutteloos lange seconden gewacht. De seconden kropen als minuten voorbij. Geen auto stond er en ik wachtte plichtsgetrouw tot het licht op groen zou springen. Ik zag er het nut niet van in. Met de Playmobil bij me, werd ik baldadig. Ik keek om mij heen. Geen agent te zien en spurtte met een noodgang door het rode licht.

Ik had er goed de vaart in en kwam al in de nabijheid van het volgende stoplicht. Ik voelde een hand in mijn kraag. ‘Wat waren wij aan het doen? ‘ vroeg hij. Ik keek hem verbaasd aan en trok gelijk de tas met Playmobil wat steviger was. ‘Je reed door rood licht’, gaf hij zelf maar als antwoord. Ik vroeg mij af hoe hij het gezien kon hebben. Ik had immers goed om mij heengekeken en geen agent gezien. En deze brede, rondbuikige meneer Agent helemaal niet.

Ik vreesde het ergste. Mee naar het bureau, in beslagname van het zojuist verworven speelgoed. Ik beefde van angst. Ik was in overtreding, ik was de wet ongehoorzaam. Ik had door rood gereden. Hij keek me ernstig aan. ‘Zul je dat nooit meer doen? ‘ Ik keek voorzichtig omhoog. Overal zag ik blauw voor mij. ‘nee’, stamelde ik. ‘Nou vooruit, ik zie het vandaag door de vingers. Maar de volgende keer…’

Ik gehoorzaamde hem keurig. Ik ben daar nooit meer door rood gereden. Ook al zag ik niemand en was er geen enkel verkeer op de weg. Ik kende de klappen van de zweep. En ik heb het aan niemand verteld. Wat was ik blij dat die klasgenoot niet in de buurt was. Hij had mij ongetwijfeld nog ongehoorzamer gemaakt.