image

In de zomer is een wandeling met de honden een heerlijk uitje. Aan het eind van de middag als de rust weerkeert in het park, loop ik nog even een rondje. We lopen van park naar park. De scheiding is het spoortunneltje. Als ik het Beatrixpark binnenloop hoor ik in de verte het geblaf van een hond.

Het weer zit mee. We lopen verder door de smalle paadjes over bruggetjes. Het groen is op zijn best. Ik zie het verschil tussen alle tinten groen. Elke boom heeft zijn eigen groen. We komen dieper het park waar het water verbreed. De plek van de zilverreiger. Hij zit er weer. Stil in het water, de nek slank vooruit in het water starend.

Verderop klim ik de heuvel in het park. In de winter sleeën de kinderen van deze ophoging. Het biedt een mooi uitzicht over het park. Ik zie mensen in het water springen vanaf de aanlegsteiger. Ze trekken een paar baantjes in het koele water. Als ze genoeg afgekoeld zijn, trekken ze zich weer op de aanlegsteiger. De armen leggen ze breed op de houten vlonders en ze hijsen zich op alsof het de waterkant van het zwembad is.

Hier blaft de hond. Een man staat op de vlonder en gooit een tak in het water. Het dier blaft angstig. Er gebeurt niks. De man spoort de hond aan, maar die blaft alleen maar. In de wanhoop springt de man het water in, achter de tak aan. Hij roept vanuit het water naar de hond. Die blaft alleen maar harder. De man zwemt naar de tak en houdt hem omhoog. Weer roept hij. De hond blijft blaffen.

Ik heb het hoogste punt bereikt daal weer af van de heuvel en zie de man en de hond niet meer. Als we veel verderop lopen, horen we nog altijd het blaffen. Ik stel mij voor dat de man nog altijd probeert zijn hond het water in te krijgen. En de hond zijn baas uit het water.