In zijn popmeditatie 81 schrijft Steven Gort over het gebrek aan muziek op de radio. Ik ervaar hetzelfde voor klassieke muziek. Veel klinken de bekende deuntjes van Vivaldi, Bach en Mozart. Minder aandacht is er voor muziek die op zijn minst je wenkbrauwen doen fronsen.

Toch zijn er heel mooie uitzonderingen. Ik zit in de auto in de veronderstelling op weg te zijn naar een orgelconcert. Ik luister naar radio 1, het programma Kunststof. Daar hoor ik iets waar ik uit mijzelf nooit naar zou luisteren. Maar ik luister verder.

Het is een interview met altviolist Oene van Geel. Hij treedt deze week op bij het Nord Sea Jazz festival en ontving de Boy Edgar prijs voor jazz en improvisatie. Het interview was best interessant. Al merk ik zelf dat geklets over muziek functioneert als omlijsting bij de muziek. Het waren juist die fragmenten die mijn nieuwsgierigheid opwekten.

Bij muziek is het niet zo interessant wat iemand vindt, maar veel meer wat hij doet. Hij kan van alles vinden, maar als hij dat niet in mooie muziek weet om te zetten, dan heb je er niks aan. Zo genoot ik van het eerste muziekstuk dat ze lieten horen: een bewerking van een lied van Radiohead. Ik ontdekte hoe mooi populaire muziek kan zijn op andere instrumenten dan de gitaar. Ook het loslaten van de electronica kan verrassende effecten opleveren.

Maar naast het bewerken van popmuziek in het strijkerskwartet Zapp4 is Oene van Geel ook actief op andere gebieden. De improvisatie die hij speelde op zijn altviool klonk bijzonder spannend. Het demonstreerde hoe leuk improviseren is. Net als de brede kijk op muziek, de uitstapjes naar de populaire muziek en de beïnvloedingen van andere muziek. Ze staan meer in de wereld dan organisten.

Want wat ik erg indrukwekkend vond, was de invloed van de Slavische muziek en de Indiase muziek. De verwijzing die hij maakte vanuit de zigeunermuziek naar de Indiase invloeden. Hij liet horen hoe muziek is die zich laat beïnvloeden door andere muziek. Ik merk dat organisten een angst hebben zich hiervoor open te stellen.

Juist de wereldmuziek biedt mogelijkheden voor organisten. De mooie orgelmuziek uit de 20e eeuw is vrijwel allemaal ontstaan vanuit de beïnvloeding van andere muziek: Arvo Pärt, Jan Welmers, Olivier Messiaen, Jehan Alain. Ze vormen een reactie op de wereldse muziek van dat moment. De beïnvloeding van de popmuziek moet nog komen, maar biedt kansen. Net als dat de jazzmuziek veel mogelijkheden geeft, zoals ik laatst hoorde bij het concert van Bert van den Brink in het Orgelpark.

Van Oene van Geels woorden vond ik het onthouden waar dat je moet oppassen niet alles perfect te willen kunnen. Gewoon doen met vallen en opstaan, helpt ook muziek mooi te maken. Een leerrijk autoritje, waar ik helaas voor het laatste muziekstuk met minimal-achtige muziek de auto verliet. Een brede kijk op muziek. Midden in de wereld staan. Hier liggen kansen voor organisten en klassieke musici.