wpid-2013-07-26-12.17.41.jpgBij kringloopwinkel Wawollie in Goor vond ik vorige week het boek De interviewer en de schrijvers van Ischa Meijer. Het boek biedt een interessante inkijk in de interviews van de schrijver Ischa Meijer met literatoren. Bij thuiskomst las ik gelijk het interview met Godfried Bomans.

In dat interview in 1966 vertelt Godfried Bomans over zijn doorbraak als schrijver. Het boek Erik dat hij als student in Nijmegen schreef, werd een bestseller. Bomans moet terugdenken aan zijn vader:

‘Wat er nou precies gebeurd is weet ik niet. Misschien heeft hij de etalage van een boekwinkel vol zien liggen met Erik… Maar op een dag stopt de Mercedes van mijn vader voor mijn huis in Nijmegen. Ik stond verlamd achter het raam. Ik kon er niet uit. Maar de tiran, de Zeus stapt uit zijn wagen en belt aan. Ik moest open doen. En daar stond hij oog in oog met die debiel. Geen van beiden konden we iets zeggen. Toen zette hij een fles wijn op tafel en vertrok. Er is geen woord gevallen.
De volgende dag belt m’n moeder op om mij te vertellen dat hij gestorven was…’ (14/15)

Een paar dagen later vond ik in de kringloopwinkel van Hilversum een boekje van Godfried Bomans. Het is enkele maanden voor zijn dood verschenen en heet De man met de witte das. Naast een serie bijdragen die Bomans schreef over de Tweede Kamerverkiezingen van 28 april 1971 bevat het boekje ook een portret van zijn vader – de man met de witte das. Bomans vader was Tweede Kamerlid van 1917 tot 1929 voor de Katholieke Staatspartij.

Het boekje opent met deze herinneringen, gevolgd door de bezoeken aan de verkiezingsbijeenkomsten met de lijsttrekkers van 1971. Alle spelers van de zandbak van de Nederlandse politiek komen voorbij. Het boekje eindigt met een korte bijdrage dat ‘De man met de zwarte das’ heet. Het opent bijna verontschuldigend:

‘Ik voel mij als een schilder die meent een portret voltooid te hebben en op het laatste ogenblik beseft, dat er iets ontbreekt. Hij loopt achteruit en bekijkt het werkstuk. Technisch gezien is het af, en toch, als hij nu zijn atelier verliet zou hij iets wezenlijks hebben verzuimd. Op een bepaalde dag moet mijn vader besloten hebben zijn witte das prijs te geven en zich, als ieder ander christenmens, een zwarte om te doen.’ (121)

Bomans eindigt deze epiloog met het verhaal waarmee het interview van Ischa Meijer eindigt:

‘Er verscheen een tweede boekje, Erik geheten, en ik kon opeens wat eten. Ik woonde op de Pater Brugmanstraat en stond toevallig voor het raam, toen de zwarte Mercedes van mijn vader geluidloos de straat ingleed. Hierin zaten mijn ouders. Mijn moeder bleef zitten, maar mijn vader stapte uit en liep langzaam naar de voordeur, met iets onder zijn arm. Ik had beiden in geen jaren gezien en ging in een hoek van de kamer staan, met mijn rug tegen de muur. Nog hoor ik zijn trage voetstap op de trap en daar verscheen hij op de drempel. We keken elkaar een ogenblik aan. Toen begaf hij zich naar het raam en keek naar buiten. ‘Mooi uitzicht,’ zei hij en draaide zich langzaam om. Ik antwoordde niet. Hij bleef een ogenblik bewegingloos staan en zette toen een fles wijn op tafel. Ik zei nog steeds geen woord. Mijn vader kruiste de handen op de rug en keek strak naar het behang. Zo verliepen enkele seconden. Toen knoopte hij zijn jas dicht en verliet de kamer. Ik hoorde het portier dichtslaan en de auto wegrijden. Enkele dagen later kreeg ik een telegram. Hij was gestorven.’ (127)