image

De #WOT – dankbaarheid – van gisteren bracht mij tot een bijzonder inzicht. Bij het lezen van het #WOT-woord aan het eind van de middag, dacht ik: ‘Bah, daar kan ik niks mee’. Het woord roept negatieve associaties bij mij op. Het lukte mij nooit de precieze vinger erachter te krijgen. Waarom had ik nou zo’n hekel aan een woord waar op zich weinig mis mee is?

Ik zocht de associaties die het woord ‘dankbaarheid’ bij mij opriep. Het ging vooral om de context waarin het woord gebruikt werd. In de kerk en bij mijn opvoeding. Het woord kreeg vooral de nadruk op de plicht dankbaar te zijn. Je moest het vooral zijn. Dankbaar voor God, voor je ouders, voor het leven. Dankbaarheid ligt buiten jezelf. En je moet vooral iets of iemand dankbaar zijn.

Dat moeten, bracht de negatieve associaties voort. Maar vooral ook het verband dat ik bij het analyseren van het woord ontdekte. Het wordt voor mij altijd gebruikt in verband met ongehoorzaamheid. Je luistert niet, je bent eigenwijs of je wil iets niet. Dan moet je dankbaar zijn.

Ik zocht verder en vond het definitieve antwoord in het dankgebed na het eten. Ook daar wordt het verband gelegd met dankbaarheid en gehoorzaamheid. Doe wat God wil en wees dankbaar. Het past niet in mijn levenshouding waarbij ik vind dat het uit mijzelf moet komen. Natuurlijk kan ik soms iemands hulp vragen. En dan ben ik hem of haar innig dankbaar.