image

Het boek Mijn leven met Tikker gaat niet alleen over de hond van de verteller. In de roman van Jan Siebelink spelen het geloof en het loslaten van datzelfde geloof een belangrijke rol. De verteller zegt het volgende:

‘Voor het Hemelse Jeruzalem kwam een vervanger: de literatuur. In mijn romans heerste ik als een arbitraire God uit het Oude Testament, die om niet uitkiest en verwerpt.’ (118)

Boeken vervangen de bijbel. Het schrijven en scheppen van boeken maakt je sterker dan het geloof dat niet van jezelf uitgaat:

‘De literatuur, dacht ik, was een soort beveiliging tegen het verderf, de dood. Een gedachte die van weinig realiteitszin getuigde. Waarom schreef ik? Om paniek te bezweren, om ‘de schoonheid te begroeten’, om mij te verweren? Maar tegen wie of wat? Tegen het niets, de chaos, het niet-weten? Literatuur als veiligheidsklep, als garantie… Zekerheid biedt alleen mijn hond. Je praat hardop met jezelf via de hond. Je probeert een zin uit, je leest een stukje voor. Je praat tegen hem. Hij zegt niets terug. Geen verstandig woord komt eruit. Maar hij zorgt ervoor dat jij je verstand niet verliest, je gedachten erbij houdt.’ (118)

De literatuur als de vervanging voor het hiernamaals, terwijl je hond je begeleidt in het leven van alledag. Daarmee is Mijn leven met Tikker veel meer dan het levensverhaal van het hond. Het vertelt een verhaal over geloof, het geloof van je ouders en je eigen worsteling met religie. De verteller en hoofdpersoon houdt zich in leven door zijn hond, door het lezen én het schrijven van boeken.

Vaak schrijft Siebelink over zijn ouders. De hond roept die gedachten op, maar ook het jaargetijde. Zoals de herfst, het mooiste jaargetijde noemt de verteller het. Ook verwijst hij vaak naar de kas van zijn vader. Het zijn de verhalen die ook in Knielen op een bed violen terugkomen. Net als de boerderij waar zijn vader naar de dominee kwam luisteren. De verteller is er vlak in de buurt gaan wonen in de plaats E.

Het lopen met zijn hond maakt deze verhalen bij hem los. Net als de angst. De verteller is heel erg bang. Bang voor zijn eigen dood en de dood van zijn hond. Er is geen weerstand tegen. Het lijkt wel of geloven en honden niet met elkaar samen kunnen. De verhalen balanceren er als troost tussen. Zo kom je toch weer altijd uit bij het verhaal, de literatuur.

Lees ook mijn recensie over Knielen op een bed violen die ik voor Litnet schreef in 2006