image

Honden zouden op hun baasjes lijken, maar dat is niet zo. Een baas reflecteert veel op zijn hond zodat hijzelf steeds meer zichzelf in hem gaat zien. Daarom vreesde ik het ergste voor de roman die Jan Siebelink over zijn hond Tikker schreef. Maar na het lezen ben ik gerustgesteld. Mijn leven met Tikker is gelukkig een ander boek. Het gaat meer over de verteller en hoofdpersonage dan over zijn hond. In die zin lijkt het boek meer op zijn baas dan op de hond.

Tikker is een hazewindhond die de verteller koopt op de dag dat hij zijn moeder begraaft. Hij treft de jonge honden bij de spoordijk niet ver van zijn huis in het plaatsje E. Die spoordijk is vanaf dat moment regelmatig de plaats van handeling. In elk hoofdstuk speelt wel een scene op dat pad langs het spoor, bij de melkfabriek. Of zoals de verteller het aan het einde zelf verwoordt:

‘Hoe vaak hebben we niet de weg langs de spoordijk genomen. Straks zou hij er niet meer zijn. Veertien was hij nu. Veertien jaar en twee maanden. Zeker twee keer per dag namen we die weg. Tweemaal 365, maal veertien. Ruim tienduizend keer. Die tijd is als een zucht voorbijgegaan.’ (203)

Aan het begin van de roman is Tikker nog jong. Bij de spoordijk krijgt het dier zijn leerschool. Hij maakt er kennis met andere honden, leert er na een lange aanloop de liefde kennen en haalt naast de auto van de verteller 60 kilometer per uur. Tikker is dan ook een hazewindhond die dit soort snelheden haalt en wel driehonderd meter kan volhouden.

De hond Tikker vormt daarmee een personage in de roman, zonder dat hij spreekt, denkt en voelt. Alles komt vanuit de verteller. Het dier spiegelt zo de emoties en gedachten van de hoofdpersoon. Het lijkt wel of de hond gedachten en emoties oproept over zijn jeugd en opvoeding. Het overlijden van zijn ouders keert regelmatig terug. Net als zijn religieuze opvoeding. Mijn leven met Tikker bevat daarmee veel elementen die later terugkomen in Knielen op een bed violen.

Daarnaast heeft Jan Siebelink een oogprobleem in het verhaal verweven. Ik vind dat aspect niet zo sterk uitkomen. Het kan symbool staan voor een blindheid van de hoofdpersoon. In de aangrijpende scène dat Tikker verdwenen is, komt dit naar voren. De angst de hond te verliezen, net als alles wat hij verloren heeft: zijn ouders, zijn jeugd en uiteindelijk zijn gezichtsvermogen. Maar de oogproblemen beheersen het verhaal teveel en leveren te weinig een bijdrage aan het verhaal.

Mijn leven met Tikker overstijgt als geheel het hondenverhaal. De band tussen hond en mens staat centraal, maar het verhaal van de hoofdpersoon wordt verteld. Het leven van de hond sluit hierop aan. De hond verweeft zich met zijn baas. Aan de hond kan de verteller zich spiegelen. Zijn tekortkomingen en krachten komen in Tikker naar voren. Zo verdwijnt met de hond een stuk van de verteller.