image

De brommer rijdt mij traag voorbij. Het lijkt of de wielen draaien op de laatste motorkracht. De motor pruttelt en sputtert. De man op de brommer kijkt naar beneden, voorbij zijn voeten, naar de motor. Het chroom glimt maar de motor geeft nog een laatste teken van leven voordat zijn geluid verstilt.

De man kijkt naar beneden. Zijn hand maakt korte bewegingen aan het rechterstuur. Hij geeft geen sjoege. Het heeft geen zin. Het leven is uit de motor. De wielen draaien nog op deze laatste slag, maar hij rijdt steeds langzamer. Hij laat zijn voeten zakken tot vlak boven de grond.

Voorbij de kruising zet hij zijn voet aan de grond. Hij staat stil. Hij stapt van zijn vehikel, kijkt aandachtig naar het voertuig. Het chroom glimt in de zomerzon. Ik nader hem als hij driftig met zijn rechtervoet een hendel naar beneden drukt. De motor pruttelt even. Ik zie hoe het achterlicht even oproodt. Maar te kort om aan de praat te komen. Driftig probeert hij het nog een keer. De beweging van de voet snel naar beneden in korte stootjes. Maar dit keer licht zelfs het achterlicht niet meer op. Nog een keer. Hij zal moeten gaan lopen.

Ik haal hem in. Hij te lopen met het zware voertuig in zijn hand en haalt mij in. Hij maakt een aardig vaartje. Het stuur met beide handen vast loopt hij daar. Iets voorovergebogen omdat het lagere stuur dat van hem vraagt. De benen hangen iets naar achteren om meer kracht te kunnen zetten. Maar hij krijgt er aardig de sokken in.

Ik loop met de honden dus ik kom even stil te staan voor de noodzakelijke behoefte. Hij komt voorbij. Naarstig. De handen aan het stuur geklemd. Dan stopt hij. Duwt met zijn voet korte bewegingen naar beneden op het pedaaltje. Ik hoor de motor pruttelen. Het achterlicht gloeit rood op. Hij maakt snelle bewegingen met zijn rechterhand. De motor slaat aan en er klinkt gebrom. Niet zo hard als ik weleens hoor bij mijn buurman als hij een brommer probeert te repareren. Maar rustig. Pruttelend.

Hij gaat snel op zijn voertuig zitten en rijdt langzaam weg. Voorzichtig zet het voertuig weer in. Als de viool opstrijkt bij de eerste maat van de symfonie van Mahler. Hij rijdt weer. Tot hij de hoek nadert en loopt hij traag uit, de hoek om uit het zicht. Als ik voorbij loop, zet de man net zijn voertuig weer in beweging. Zijn voeten duwen het vooruit. Hij hangt voorovergebogen over het stuur.

De blik vooruit. Omdat zijn brommer het laat afweten. De brede banden drukken op het fietspad. Hij er achteraan. Naarstig en traag genoeg om de brommer niet aan de praat te krijgen.