De dubbele loc 'Fairlie' van de 'Ffestiniog Railway'. (bron: wikipedia)

De dubbele loc ‘Fairlie’ van de ‘Ffestiniog Railway’. (bron: wikipedia)

Naast werklozen en smoezige pensionhoudsters komt Paul Theroux op zijn reis langs de Engelse kust ook een ander type Brit tegen: de treinengek. Een soort mensen die hij – net als vrijwel alle andere groepen mensen die hij tegenkomt – liever ontloopt.

De treinengek komt op het moment dat een treinlijn met sluiten bedreigd wordt. En dat zijn er nogal wat in Het drijvende koninkrijk. Het is een gevleugelde uitdrukking in het boek. Een stationschef of conducteur die mompelt: ‘Ze willen deze verbinding opheffen.’ Tussen het willen en het daadwerkelijk opheffen zitten vaak nog tientallen jaren. Maar uiteindelijk wordt het voornemen een besluit. Rond diezelfde tijd komt de treinengek.

Voor de treinliefhebber is dat hét moment om nog te genieten van de trein voordat hij niet meer zal rijden. Als een stel aasgieren proberen ze nog langvervlogen tijden te beleven. Volgens Paul Theroux bevorderen deze mensen juist de ontmanteling van de Britse spoorwegen:

‘Hun nostalgie was gevaarlijk, want ze snakten naar het verleden en waren nooit zo gelukig als wanneer ze een oude trein konden veranderen in een stuk speelgoed. Een forens die twee uur per dag in een trein doorbracht om naar en van zijn werk te komen, was heel zelden een treinengek.’ (348)

Hij typeert het duidelijk in de persoon van Stan Wigbeth waarmee hij samen in de ‘Ffestiniog Railway‘ zit. De trein wordt getrokken door een ‘Fairlie’, een ‘dubbele loc’. Dat is een stoomlocomotief met twee ketels. Volgens een machinist die Paul Theroux eens sprak, de lastigste locomotief om mee te rijden. Volgens de treinengek, waren stoomlocomotieven het mooiste wat er was: efficiënt en briljant gecontrueerd.

‘[M]aar machinisten hadden mij verteld hoe ongemakkelijk ze konden zijn, en hoe verschrikkelijk gedurende winternachten, om dat je de meeste stoomlocomotieven niet kon besturen zonder om de paar minuten je hoofd uit het raampje te steken.’ (187)

Voor Stan Wigbeth is deze kritiek niet belangrijk. Hij vindt het gewoon zonde dat er geen stoomtreinen meer rijden. De dieseltreinen die tegenwoordig op het Britse railnet rijden, zijn ‘blikken dozen’ en geen treinen volgens deze treinenliefhebber. Hij geniet van de rit achter de Fairlie. Het mooiste wonder van efficiëncy en technisch vernuft. Gelukkig kent Paul Theroux de ervaringen van een machinist van deze treinen:

‘Het was bloedheet voor de bestuurder, vanwege de positie van de ketels. De staanplaats bij de Fairlie leek op een oosterse oven waarin eenden in hun eigen zweet gaarstoofden. Meneer Wigbeth was het daar allemaal niet mee eens. Als veel andere treinengekken walgde hij van deze eeuw.’ (187)

Dat ze dan na afloop van de rit in hun persoonlijke blikken doos zonder blikken of blozen stappen, merkt Paul Theroux uiteraard op. De treinengekken dragen niet voor niets bij aan de teloorgang van de Britse spoorwegen. Ze stappen liever in hun auto dan in een dieseltrein.

Meer lezen
Dit is het derde deel in een reeks blogs over Het drijvende koninkrijk van Paul Theroux. Lees ook de andere bijdragen: