image

Eigenlijk verschilt het reisverhaal niet veel van een gewoon verhaal, stelt uitgever Emile Brugman in Jan Donkers handleiding Reisverhalen schrijven. ‘Het is een misvatting dat hoe exotischer de reis is hoe interessanter het boek. Het gaat, bovenal, om de kwaliteit van schrijven, en dan doet het er helemaal niks toe waar ze heen gaan.’

De uitgever krijgt maandelijks vijftig manuscripten binnen, verluchtigd met foto’s en in een ringbandje. Zeker in de weken en maanden na de zomervakantie wordt de uitgeverij overspoelt met zendingen van manuscripten. Het merendeel gaat per kerende post terug. Brugmans leest er één pagina van voor de moeite, maar het overstijgt het vakantieverslag niet.

Daarom is zijn advies: ‘geniet van je vakantie en schrijf niks op’. De manuscriptenregen heeft wel iets van de dia-avondjes van weleer. Je ziet eindeloos veel foto’s van wat er allemaal zo mooi was, maar hoort en ziet het echte verhaal van de vakantie niet. Dat is ook onmogelijk want al die grote schrijvers zijn ze voorgegaan en er blijft niet veel meer over dan een droge toeristenmassa die met open ogen in Machu Picchu staat.

En dat maakt Paul Theroux zo mooi. Hij houdt die spiegel voor van fotograferende en schrijvende reizigers. Als hij naar Machu Picchu gaat, komt er geen woord over de oude stad. Hij vergaapt zich aan al die toeristen die in de trein op weg naar de trekpleister opmerkingen maken over hun bijzondere reizen. Ze kijken niet eens om zich heen, maar zijn alleen bezig waar ze allemaal geweest zijn. Of dat nu de ultieme manier van reizen is of een reisverhaal te schrijven, dat betwijfel ik.