datong locomotievenfabriekDe treinen waarmee Paul Theroux in China reist, worden vrijwel allemaal getrokken door stoomlocomotieven. In China is tot 2007 gereden op stoom. Tot in de tijd dat Paul Theroux China, per trein aandoet (voorjaar 1986) produceren de Chinezen in Datong zelfs nog ouderwetse stoomlocomotieven. De laatste stoomlocomotief rolt op 21 december 1988 uit de fabriek.

De Chinezen hebben zo ongeveer de hele wereld uitgevonden: het spinnewiel, de parasol, de seismograaf, de passer, de toverlantaarn, de stinkbom, de passer, lichtgevende verf, de boekdrukkunst, het toiletpapier, de parachute, het papiergeld, de nagellak en de kruiwagen. Misschien dat als je iets uitgevonden hebt, je er ook langer aan vasthoudt, vermoedt Paul Theroux:

‘Het zijn de Chinezen geweest die met het eerste ontwerp voor een stoommachine zijn gekomen, omstreeks 600 na Chr. En de Locomotievenfabriek van Datong is de laatste fabriek ter wereld die nog steeds stoomlocomotieven bouwt. China maakt grote, zwarte tsjoeketjoeketreinen, en dat niet alleen – nergens in de fabriek is sprake van automatisering. Alles wordt met de hand vervaardigd, uit ijzer gehamerd, an de enorme stoomketels tot de kleine koperen fluitjes.’ (72)

Dat de fabriek pas sinds 1959 stoomlocomotieven produceert, lijk je te vergeten als je in deze ‘enorme smidse’ staat. De fabriek is onverwoestbaar volgens Paul Theroux: ‘als er vandaag een bom op viel, zouden ze er morgen weer aan het werk kunnen’. Je moet heel goed kijken om te zien dat deze fabriek een grote lopende band is en niet een pandemonium. Net als dat je goed moet uitkijken voor de enorme gaten in de vloer, de scherpe randen en het gloeiend metaal dat overal vloeit.

Voor gaten in de vloer moet je ook in de remise bedacht zijn. Dat ontdekt Paul Theroux veel later in Langxiang. Als hij in dit stadje eindelijk een warme plek gevonden heeft, loert een ander gevaar dat hij niet zo snel in de gaten heeft. Gelukkig loopt de gids mevrouw Jin met hem mee:

‘De remise was vol rook en stoom, en het was er donker; maar het was er ook warm, want de ketel werd opgestookt, en het vuur in de smidse loeide. Terwijl ik daar liep, wierp mevrouw Jin zich opeens tegen me aan en drukte ze me tegen de wand, en toen lachte ze hysterisch, een soort gekakel – een van de meer angstaanjagende Chinese lachjes. Ik zag dat ze me had behoed voor een diep gat, waarin ik vrijwel zeker mijn rug zou hebben gebroken.’ (343)

Verder lezen over China, per trein

Dit is de derde blog van een serie van vijf blogs over het boek China, per trein van Paul Theroux. Lees ook de andere blogs: