image

De meesters van het korte verhaal zijn de echte vertellers. De meeste schrijvers zijn met verhalen begonnen. Veel debuutbundels bestaan uit verhalen. In Nederland zijn er zeker een paar meesters van het korte verhaal: F.B. Hotz, Henk Romijn Meijer en Bob den Uyl.

De wens om een roman te schrijven drijft de meeste schrijvers van het verhaal af. Het is Hotz eigenlijk nooit gelukt een roman te schrijven. De enige roman van zijn hand, De vertekening is uiteindelijk een slap aftreksel van het meesterwerk dat het ooit had moeten worden.

De wens om die grote roman te schrijven blijft sterk aanwezig bij schrijver en lezer. Hoeveel lezers verzuchten niet over een verhalenschrijver: had hij maar een mooie roman geschreven. Een verhaal lees je in een zucht uit. De noodzakelijke verdieping van personages blijft achterwege en het ontbreekt meerdere gesponnen verhaallijnen.

Juist die elementen zijn de kracht van het (korte) verhaal. De aandachtsspanne van de lezer blijft beperkt tot een halfuur tot hooguit twee uur. In die tijd kan hij het hele verhaal in één keer vatten. Ook is hij in staat een afgerond verhaal voor te lezen. Zo maakt hij snel kennis met een beperkt aantal karakters en leert ze heel snel kennen. Ik denk dan gelijk aan de zin waarmee ‘Happy days’ begint van F. Springer, waar ik vorige week over schreef.

De verhalen van Charles Dickens zoals ze in de Sketches by Boz voorkomen, trekken mijn aandacht. Vaak typeert de schrijver – genoodzaakt door de tijd – in een korte zin of hooguit een alinea een personage. Geen eindeloos gewauwel, maar een snelle en korte typering. Ik vind het heerlijk om te lezen hoe Dickens bijvoorbeeld in het verhaal ‘Het duel’ een ingeslapen stadje in een alinea helemaal weet te vatten:

Het kleine stadje Great Wingleburgy ligt precies op twee-en-veertig en een halve mijl afstand van Hyde Park Corner. De hoofdstraat is lang, onregelmatig bebouwd en rustig. Er is een klein roodstenen stadhuis, met een grote zwart-en-witte klok, een markt, een arrestantenlokaal, een vergaderzaal, een kerk, een brug, een kapel, een schouwburg, een bibliotheek, een herberg, een stadspomp en een postkantoor.

Zo vind ik een schrijver als Jan Wolkers ijzersterk in zijn korte verhalen. Vaak dienen ze als schets voor een roman, maar waar de roman niet in slaagt, slaagt het verhaal wel in. Het blijft hangen. Zoals het verhaal Serpentina’s petticoat’ dat in de gelijknamige debuutbundel van Jan Wolkers staat. Het is het verhaal over oom Louis.

– Het is een zwerver, het zwarte schaap van de familie, zei mijn vader. Hij heeft nooit willen deugen. Mijn ouders schaamden zich een beetje voor zijn aanwezigheid, en misschien, denk ik nu achteraf was de mosterd het enige wapen dat mijn moeder binnen haar bereik had om zijn logeerpartijen van niet al te lange duur te doen zijn. (37)

Het beeld van de tante die haar broer naakt in zijn doodskist ziet liggen, laat mij bij dit verhaal niet meer los. Het verhaal kenmerkt de thematiek en dramatiek in het werk van Jan Wolkers. De rauwe kant van het leven – Serpentina die het doodshemd van haar overleden oom steelt om er een mooie petticoat van te naaien – met de dood als rouwrandje er doorheen.

Of zoals ik al eerder schreef Hotz’ novelle De voetnoot, dat qua lengte goed in het formaat van een verhaal past. Ook hier geeft een opmerking van de vader een rake typering van de hoofdpersoon tante Ina van het verhaal weer:

‘s Avonds aan tafel zei moeder tegen vader: ‘Ina was in Katwijk; ze zat in een invalidenwagen. Ik wist niet wat ik zeggen moest.’
‘Tja,’ antwoordde vader. Hij had geen zin in het onderwerp. Hij at. Pas bij het puddinkje zei hij: ‘Het is echt iets voor die vrouw. Dat haar zoiets overkomt, bedoel ik.’
Mijn zus keek hem met open mond aan. Ik begreep er ook niets van. Moeder kreeg een rode vlek in haar hals en keek op haar bord. (34)

Zinnen die in een verhaal blijven hangen. Misschien omdat de aandachtsspanne korter is. Misschien omdat het allemaal anders behapbaar is. Ik weet niet waar het antwoord ligt. Maar ik voel me erg aangetrokken tot het verhaal. En dan droom ik ervan net zo goed verhalen te kunnen schrijven als Hotz, Dickens of Poe. Want er gaat weinig boven een mooi verhaal.

Dit is het antwoord op vraag 41 van het blogproject #50books van Petepel. Bekijk mijn andere bijdrages voor dit bijzondere boekenblogproject.