image

In 1986 viel 10 januari ook op een vrijdag. Die avond holde ik met mijn vriendje Erik door het centrum van Veenendaal op zoek naar vossen. De vossenjacht was geopend. Het hoogtepunt was de leider van de jeugdclub. Hij droeg een wit laken over zich heen en liep als spook door de Hoofdstraat. We herkenden hem aan zijn sandalen met geitenwollensokken erin.

We eindigden de avond met dankgebed en zongen ‘Wat de toekomst brengen moge’. Daarna zou ik met mijn vriendje Erik en zijn neefje naar huis lopen. Mijn moeder kon mij niet halen en vond het fijn als ik niet alleen over straat hoefde te lopen om 8 uur ‘s avonds.

Ze waren mij aan het plagen, renden weg en liepen aan de overkant van de straat. Ik riep ze, maar ze kwamen niet. Huilend liep ik verder en stond bij de speelgoedwinkel voor het raam te kijken. Daar liet Eriks neefje mij heel erg schrikken. Ik draaide om. Het neefje rende lachend weg en ik zag Erik achter een auto wegduiken.

Daar moet het ergens gebeurd zijn, hoorde ik later. Erik kreeg een hartaanval, viel op straat en het neefje rende weg. Pas later werd hij gevonden. De ambulance reed door onze straat met gillende sirenes om hem op te halen. Ik keek met mijn vader naar het laatste staartje van het journaal.

Wat later stond ik bij de deur omdat iemand mijn vader moest spreken. De ambulance reed met gillende sirenes terug. ‘Tjonge, daar is heel wat aan de hand’, zei de meneer. ‘Ja’, antwoordde mijn vader. ‘Het ziet er behoorlijk ernstig uit als ze met de sirene terugrijden.’

Daar lag mijn vriendje Erik in. Ik wist het niet. De volgende morgen was mijn moeder verontwaardigd toen ze hoorde dat ik niet samen met Erik naar huis was gelopen. ‘Ik ga zijn moeder bellen. Dat heb ik niet met hem afgesproken’, zei ze boos. ‘Jullie mogen wel tien jaar oud zijn, maar als hij zegt dat je met hem mag meelopen, dan moet hij dat ook doen.’

Maar ze moest naar de markt en mijn vader had een overleg op mijn school over iets. Ze kwamen ongeveer tegelijk thuis en waren even buiten aan het praten. Mijn moeder kwam witjes naar binnen. Ik speelde met de playmobil samen met mijn broertje en zusje. ‘Er is iets heel ergs gebeurd’, begon mijn moeder. ‘Ga maar even zitten.’ Ik stond op om op de bank te gaan zitten.

‘Erik is overleden’, zei ze nog voor ik zat. ‘Gisteravond. Aan een hartaanval.’ Ik voelde mijn knieën week worden. Het bloed trok uit mijn gezicht weg. Ik liet mij op de bank vallen. Dit kon niet waar zijn. Daarna vroeg ik haar honderd keer hoe het gebeurd was. Ik had hem nog gezien.

Het was aan het begin van de Gortstraat gebeurd, vlak nadat het neefje mij liet schrikken. Hij was teruggekomen, zag Erik liggen en rende weg. ‘Het is maar goed dat ik vanmorgen zijn moeder niet gebeld heb’, zei mijn moeder. ‘Wat was dat verschrikkelijk geweest.’ Ik knikte en werd omringd door honderd vragen. Bewust dat hij er niet meer was.

Vandaag loop ik in het park met de honden. Geniet van het licht dat zo kenmerkend is voor januari. Het lage licht maakt het gras intens groen. De wolken zo duidelijk en helder wit. Het is 10 januari, besef ik. Net als in 1986 een vrijdag. Het is 28 jaar geleden dat Erik stierf, maar die dagen staan op mijn netvlies gebrand alsof het gisteren was.

Ik kom thuis, ga zitten achter de computer en typ: ‘In 1986 viel 10 januari ook op een vrijdag.’