image

In zijn verantwoording lijkt Jan van Aken een volstrekte willekeur te hanteren. Hij wekt mijn nieuwsgierigheid gewekt met het volgende zinnetje:

Het versteende woud is nu Pobiti Kamani in Bulgarije en de zomereik die ontkiemde op de plek waar Eleutherius zijn eerste ervaringen in de liefde opdeed, staat er nog altijd; de eik van Granit in Bulgarije is meer dan 1650 oud en daarmee de laatste nog levende tijdgenoot van Julianus in die regio. (604)

Hij verwijst de passage die speelt in het versteende woud. Ze staan bij een eik van enige tientallen jaren oud. Eleutherius heeft zijn vrienden hiermee naar toegenomen om deze plaats van herinnering te tonen.

Dido vraagt zich af of hier dan een veldslag heeft plaatsgevonden. Nee, krijgt hij als antwoord. Eleutherius is hier zijn maagdelijkheid verloren. Hij vrijt hier met drie vrouwen en na afloop hoort hij dat ze hem willen offeren. Hij weet de vrouwen van zich af te schudden als ze hem willen vastbinden en vermoordt hierbij een vrouw.

Op een plek in de rulle bosgrond groef hij een gat en legde haar lichaam erin, want het leek hem een juiste handelwijze. Hij bedekte haar met aarde en markeerde de plek met een kring van witte stenen. Daarna plantte hij een eikel midden in de kring als nagedachtenis aan de eerste vrouw die hij had liefgehad, hoe kortstondig ook en hoe onfortuinlijk ook de afloop. (373/374)

Een spel met de geschiedenis, waarbij een eik van 1650 jaar oud een groots symbool wordt. Terwijl naar alle waarschijnlijkheid de eik uit de grond is gekomen omdat een eekhoorntje zijn wintervoorraad is vergeten.

Lees mijn bijdrage Doedelzak en kwinkslag

Lees mijn artikel voor het Zuid-Afrikaanse Litnet