image

De zon lokt me naar buiten. Ik stap op de fiets. Wat voelt het heerlijk, overal voorjaar. De vogels fluiten mij overal welkom. De lucht en de zon zijn in mooie tinten.

Ik fiets naar de Lepelaarplassen. Besluit even in een observatiehut aan de rand van het water een kijkje te nemen. De eenden dobberen op het water. Ik hoor het water klotsen en zie in de verte een aalscholver op een tak zitten. Verder is het stil. Een metalen hek midden in het natuurgebied, werkt bevreemdend. Wat doet dit hek hier?

Weer op de trappers. Ik klim de dijk op in de richting van de sluizen. Een binnenvaartschip vaart door de Hoge vaart. De zon kleurt de hemel achter de dijk in alle mogelijke tinten goud. Ik tuur aan de andere kant en zie een lepelaar door het water stappen.

De harde tegenwind ontmoedigt mij niet om te gaan kijken en te genieten van het schouwspel dat zich in de verte openbaart. Tegen het silhouet van Amsterdam kleurt de hemel alles in. Ik kan mijn ogen er niet vanaf houden.

Wat verderop draai ik toch om. Ik ga niet dat hele stuk tegen de wind in fietsen. Het is mooi geweest. Ik wil via het Wilgenbos terug. Over de sluis en via het gemaal daal ik weer van de dijk af.

Wat is het hier toch mooi. Ik denk weer terug aan die keer op een zomeravond dat ik hier met mijn schoonmoeder was. We hingen over het bruggetje en keken in het water hoe de zon afscheid nam.

Ze is er niet meer. Zo turend naar de spiegeling van de avondzon in het water, denk ik eraan terug. Hoe dat moment met mij zal verdwijnen. Het is mijn moment met haar. Niemand was erbij. Het was bijzonder. En als ik sterf dan zal die herinnering met mij verdwijnen. Tot die tijd leeft ze voort.

Zo gedenk ik daar helemaal alleen op dat bruggetje de doden. De zon verstopt zich achter de kale boom. De hemel kleurt rood. En ik denk hoe we samen bramen plukten. De braamstruiken staan er nog, klaar om vrucht te gaan dragen. Het wordt een mooi jaar, fluiten de merels om mij heen.