image

Mijn moeder stond naast mij in het keukentje. Haar zwangere buik drukte tegen het aanrecht. ‘Ik moet naar het ziekenhuis’, zei ze. ‘Het baby’tje komt.’ Samen met mijn broertje werd ik halsoverkop naar kennissen gefietst. Daar waren we de hele middag in spanning.

Na het avondeten was er nog altijd geen bericht. We zouden moeten blijven slapen. Onrustig viel ik in slaap. Zou het morgen dan zover zijn? De volgende morgen was het Pasen. Als er nog geen nieuws was, zouden we meegaan naar de kerk.

De volgende morgen bij het paasontbijt aten we beschuit met muisjes. ‘Jullie hebben een zusje’ vertelde de oppas. ‘Ik hoorde het gisteravond, maar jullie lagen zo lekker te slapen dat ik het nu vertel.’ De muisjes kraakten stuk tussen de tanden. ‘Ze heet Annelies. Je vader komt je zo halen en dan mogen jullie haar zien.’

Na het ontbijt kwam mijn vader eraan gefietst. Mijn broertje voorop, ik achterop. Mijn vriendje was jaloers en wilde eigenlijk met ons mee. Nu moest hij naar de kerk terwijl wij ons nieuwe zusje mochten bewonderen.

Daar in het ziekenhuis zag ik mijn zusje voor het eerst. Op paasmorgen. Zo stond Pasen in het teken van nieuw leven, een leven met mijn nieuwe zusje.