image

Ik fiets langs de oude Zuiderzeedijk in de richting van Naarden. Over de weg dwars door de polder rijden twee vrouwen mij tegemoet. Ik weet niet of ik die weg nu ook moet nemen en rijd al twijfelend rechtdoor over de weg die ik altijd rijd als ik een rondje Gooimeer doe.

Terwijl ik zo half achterom kijk, vraag mij af of ik daarmee een flinke hap van mijn route zou afsnijden. Maar ik rijd gewoon door in de richting van de vesting. Op de dijk staan schapen. Ze grazen. De lammetjes liggen lekker in het gras en kijken om zich heen. Zij hebben duidelijk de schaapjes op het droge. Soms klinkt er gemekker van een lammetje, geantwoord met het blaten van een groter schaap.

Een lammetje kijkt heel wijs voor zich uit. Zijn flaporen wijzen breed naar opzij. De wind blaast over het eigenwijze bolletje. Hij staart met een blik voor zich uit alsof hij alles van de wereld begrijpt. Ik denk aan het fragment dat ik laatst las van een schrijver. Hij vertelde dat elk lammetje zijn eigen mekker had, waarna slechts één ouder schaap antwoordde.

Hij vermoedde dat het de moeder van het lammetje was dat communiceerde met haar jong. Schapen blaten niet onnodig, concludeerde de schrijver aan het eind van het stuk. Veel geblaat en weinig wol gaat niet op voor schapen.

Ik vraag mij al fietsend af welke schrijver dat nu ook alweer opgeschreven heeft. Het was een heel vermakelijk stukje, maar ik heb geen idee wie dat nu beweerde. Ik denk dat het een bevinding is uit het dikke Natuurdagboek van Nescio, maar het kan net zo goed van een ander zijn.

En dan weet ik gelijk dat ik thuis op zoek zal gaan naar het fragment, eindeloos speuren en het niet zal vinden.

Inderdaad, ontdek ik verderop. Ik zou een stuk hebben afgesneden van de route. Maar dan had ik dat eigenwijze lammetje nooit gezien en niet gedacht aan het interessante fragment dat ik niet zal vinden.