imageIk heb het boekje Van Tibooburra naar Packsaddle niet alleen gekocht om naar de kaft te kijken, maar lees het nu dus ook. August Willemsen maakt in de tweede bijdrage een reis dwars door Australië. Hij gaat met de trein van Melbourne naar Adeleide en dan naar Perth met de Indian Pacific.

Treinreiziger Paul Theroux wil deze reis een paar jaar eerder niet maken. In De gelukkige eilanden hij moet gedwongen de trein instappen omdat de vliegtuigmaatschappijen staken en hij voor een lezing aan de andere kant van Australië moet zijn.

August Willemsen maakt de reis vrijwillig en gratis. De Australische spoorwegen hebben zijn treinkaartje en dat van de fotograaf betaald. Het doet hem denken aan 16 december 1962 toen hij in Amsterdam de trein naar Lissabon nam. Dat betaalde hij zelf maar was zijn eerste grote treinreis. Hij is nu niet zo opgetogen als toen, maar wel blij. Blij dat hij deze reis mag maken.

Het is een reis dwars door Australië:

Het land is plat, volkomen plat, zonder een enkel uitsteeksel of een enkele verhoging, van de ene horizon tot de andere. De aarde is bruinrood, slechts begroeid met grijsgroene plukken grasachtig gewas. (34-36)

Land dat nergens toe dient volgens August Willemsem. Vlak en leeg. Zonder enige vorm van leven. Hoe een land zo plat kan zijn, vraagt hij zich af. Land onderscheidt zich van de zee doordat het niet eindeloos vlak is maar uit heuvels en andere oneffenheden bestaat. En waarom? Kan het niet net zo goed onder de zee liggen?

De reis van drie dagen en twee nachten was doelloos voor hem, concludeert hij aan het einde van zijn reportage. Hoorde hij een halfjaar eerder een collega vertellen over de treinreis die hij maakte van Sydney naar Perth. Groen van afgunst was hij. Nu merkt August Willemsen dat het een luxe is zo’n reis alleen voor de ervaring en de belevenis te maken.

Hij citeert zichzelf uit een ander boek van hem, Vrienden, vreemden, vrouwen:

Wat betekent het iets te hebben gezien? Ik heb inmiddels aardig wat gezien. Mooie, bijzondere dingen. Onbeschrijfelijke natuur, stedenschoon. […]. Ben ik daardoor verrijkt? Een beter mens geworden? Het zien is alles. Het gezien hebben is niets. (45)

En gelijk heeft hij. Al is het lezen van wat hij gezien heeft en wat dit met hem doet, een belevenis op zich.