image

De ik-verteller en hoofdpersoon van Wanneer wordt het eindelijk weer zoals het nooit is geweest wordt letterlijk omringd door gekken. Hij woont met zijn familie midden in de Inrichting voor kinder- en jeugdpsychiatrie Hesterberg. Zijn vader is directeur van de instelling.

Het levert mooie portretten op van mensen die het misschien niet helemaal op een rijtje hebben. Tegelijkertijd is de ontlading van deze eerlijke mensen heel treffend. De verteller weet ze mooi te vatten in zijn beschrijvingen. Zoals de wanneer de vier patiënten op de verjaardag van zijn vader een bos bloemen geven. Zijn moeder stopt de bloemen in een vaas:

Ze had ook al eens meegemaakt dat er een paar patiënten aanbelden en haar een reusachtige bos rozen gaven. Toen ze de bloemen voor het raam zette en naar buiten keek, ontdekte ze dat alle rozen in de tuin waren afgeknipt. (63)

Deze beschrijvingen zijn heerlijk en vatten in een paar zinnen de essentie van de mensen in de inrichting. Joachim Meyerhoff is een meester in dit soort beschrijvingen van de patiënten. Hij weet ze in een paar woorden te vatten, gezien vanuit de ogen van het kind dat hij was.

De klokkenluider

Zo vertelt hij meerdere keren over de klokkenluider. Het is een patiënt waar heel bang voor is. Hij draagt twee vergulde klokken met een stevig handvat en zwaait al lopend met zijn klokken langs zijn oren. Je hoort hem van verre aankomen en de verteller is doodsbenauwd voor hem.

Maar na een geruststellende kennismaking laat hij zich altijd door hem over het instellingsterrein dragen alsof hij een klok is. Vanaf dat moment mag hij bijna elke dag op hem rijden. De klokkenluider is zijn menselijke troon geworden. Hij herkent zich in het beeld van Sint Christoffel in de kathedraal van hun stad Sleeswijk:

In zijn handen hield de veerman een lange tak die een heel stuk boven hem uitstak. Op zijn schouders zat het kindje Jezus. Zonder het verhaal te kennen van de veerman die bijna bezweek onder het gewicht van zijn passagier, keek ik gefascineerd naar het hoog boven mij zittende kinde. Ik kon mij goed voorstellen wat voor uitzicht het daarboven had. (99)

Eigen chauffeur

De klokkenluider keert later nog een keer terug in het verhaal. Net als veel andere patiënten uit de inrichting. Ze zwermen om zijn leven als de andere gezinsleden in het verhaal. Zijn vader is wel de stuurman die het schip in de juiste richting koerst. Hij heeft zelfs zijn eigen chauffeur. De ik-verteller vindt maar dat zijn vader zich idioot gedraagt. Hij doet mee met de patiënten. Ik vind het vooral mooi:

Jarenlang werd mijn vader elke ochtend afgehaald door een patiënt die een autostuur in zijn handen hield. Hij was de chauffeur van mijn vader. Mijn vader slenterde tevreden met zijn dokterstas achter hem aan, en een meter voor hem uit hield die jongen dat stuur in de lucht, stuurde nu eens naar links, dan weer naar rechts en bromde met trillende lippen een vochtig ‘brrrrrrrroem’. (232)

Hier spreekt de oudere verteller die zich schaamt voor zijn vader. Het is zo typerend hoe mooi de verteller je meeneemt. Hij trekt je in zo’n vergelijking helemaal mee van de schaamte van de puber naar het inleven van zijn vader in de patiënten.

Blogtournee

Ik lees dit boek voor de blogtour georganiseerd door WPG België. Een hele maand zwerft dit boek over verschillende boekenblogs. Lees de andere bijdragen.

Joachim Meyerhoff: Wanneer wordt het eindelijk zoals het nooit is geweest. Oorspronkelijke titel: Wann wird es endlich wieder so, wie es nie war. Alle Toten fliegen hoch. Teil 2. [2013] Vertaald door Josephine Rijnaarts. Amsterdam: Uitgeverij Signatuur. Eerste druk, februari 2015. ISBN 978 90 5672 508 2. Prijs € 19,95 (e-book: € 13.99). 312 pagina’s.